Niet ieder schandaal is een pinksterschandaal

Mals is de kritiek van Mark Peter van der Bijl op het boek God, Geld & Gehoorzaamheid van Silvan Schoonhoven niet. Volgens Van der Bijl voegt alleen de informatie over Agtereek echt wat toe.

Mark Peter van der Bijl

Enkele weken geleden verscheen het boek van de journalist Silvan Schoonhoven getiteld God, Geld & Gehoorzaamheid, waarvan op een satirische site een te positieve recensie verscheen.

In zijn boek beschrijft Schoonhoven wat hij ‘de keerzijde van het succes van de pinkstergemeente’ noemt en dat zijn dan vooral de schandaaltjes of zelfs schandalen die hier en daar zijn opgetreden. Nu wil ik zeker niet de indruk wekken dat het wel mee valt, want misschien is het nog maar het topje van de ijsberg, maar meer moeite heb ik met een bepaalde eenzijdigheid (er wordt weinig positiefs genoemd)  en anderzijds gewoon slordig journalistiek werk.

Een derde van het boek beslaat de kerk en activiteiten van Gert-Jan Agtereek, voorganger van een gemeente in Leiden. Als journalist heeft Schoonhoven deze kerk de laatste tien jaar gevolgd en regelmatig kritische artikelen over geschreven voor het Leidsch Dagblad, waar hij verslaggever is. Dit verhaal lijkt goed onderbouwd en is ondersteund door interviews met (sommige) betrokkenen en voormalige gemeenteleden.

Het verhaal over Maasbach (vader en zoon) is voor een groot deel gebaseerd op de verhalen van een voormalige beveiliger die teleurgesteld geraakt is door Maasbach en dat uitgebreid op internet ventileert. Ook bij een paar andere discutabele groepen in Nederland leunt Schoonhoven sterk op internetblogs voor informatie en heeft hij geen aanvullend onderzoek gedaan. Ook is de bronvermelding zeer summier of afwezig. Dit geeft het boek een hoog populistisch gehalte en weinig wetenschappelijke waarde.

Een grote fout maakt Schoonhoven door alles wat maar schandalen veroorzaakt onder de noemer pinksterkerken te scharen. De VPE (Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten) kwam al in 2009 met een verklaring over de club van Agtereek waarin zij stelt dat dit geen pinksterkerk is, nooit geweest is en nooit zal worden. Agtereek heeft de baptistenkerk van zijn vader overgenomen, en hij is niet de enige zoon van een (voormalige) baptistenvoorganger in dit boek. Maar met een (echte) pinkstergemeente heeft dit natuurlijk maar heel weinig te maken.

Eigenlijk weet Schoonhoven dit wel, want in een interview met het RD zegt hij: “De “uitwassen die in dit boek aan de orde komen” zijn van de ‘luidruchtige nieuwlichters uit de derde golf.”  Ook wel de “voorspoedevangelisten” genoemd. Ook dit is niet helemaal waar, want in hoofdstuk negen noemt hij een 13-tal Nederlandse personen of kerken volgens hem iets mee aan de hand is geweest.

Dit zijn achtereenvolgens Sipke Vrieswijk, Stromen van Kracht, Opwekking, In de Ruimte, Bethel, De Deur, God’s Pleasure, Rehoboth, De Kandelaar, Universele Kerk van Gods Rijk, God’s Embassy, Efraïm Genootschap en Lou de Palingboer. Een aantal hiervan hebben tientallen jaren goed en gezegend werk gedaan zoals In de Ruimte, die helaas door financiële problemen failliet ging. Omdat op een lijn te zetten met bijvoorbeeld God’s Pleasure is slordig, ontactvol en getuigd niet van enige kennis van zaken. Van een aantal zou het echter wel goed zijn dat er wat verder onderzoek plaats zou vinden en gepubliceerd zou worden, juist om feit en fictie goed te kunnen onderscheiden.

Oral Roberts, foto: Wikipedia

Helemaal bont maakt Schoonhoven als hij in hoofdstuk 10 de Amerikaanse toestanden beschrijft. Daarin beschrijft hij vervolgens kort de volgende personen: Aimee Semple McPherson, William M. Branham, Latter Rain (een opwekkingsbeweging in de jaren vijftig), Oral Roberts, Marjoe, Peter Popoff, Kathryn Kuhlman, Benny Hinn, Derek Prince en Todd Bentley.

Ook hier in dit rijtje staan de echte bedriegers gemoedelijk naast mensen die tientallen jaren een gerespecteerde bediening hadden zoals Derek Prince of Kathryn Kuhlman en ook Oral Roberts geruime tijd. Ook hier gaat Schoonhoven voor het snelle scoren zonder echter blijk te geven van verstand van zaken te hebben, zowel theologisch als historisch.

Het korte verhaal over Aimee Semple McPherson lijkt bijna geheel en soms zelfs letterlijk overgenomen te zijn van haar Wikipedia-pagina. Uiteraard zonder bronvermelding. Met meer dan 20 boeken van of over haar leven in mijn boekenkast ben ik wellicht overgekwalificeerd, maar ben dan toch wel in staat om enige aanvulling of correctie te geven.

Het grootste deel van het verhaal van Schoonhoven van precies één pagina over McPherson gaat over de vermeende ontvoering van deze dame in 1926. Schoonhoven zegt onder meer:

“Ook opmerkelijk was dat niemand het schuurtje kon terugvinden en dat tegelijkertijd met McPherson ook de technicus van het kerkelijk radiostation was verdwenen. Er melden zich zelfs getuigen die hen samen hadden gezien in een onder valse naam gehuurd huisje. Na het schandaal raakte McPherson in ongenade bij de pers. Haar kerk worstelde met een interne machtstrijd en de evangeliste zelf raakte overspannen.” (p.155)

Wat Schoonhoven niet noemt, is dat door de tunnelvisie van de politie en justitie deze kidnapzaak nooit goed onderzocht is. Er volgde een zes maanden durende rechtszaak vanwege de vele onduidelijkheden in deze zaak, waar de getuige die McPherson gezien had ontmaskerd werd als een psychiatrisch patiënt die meineed pleegde en de Officier van Justitie niet lang daarna zelf in de gevangenis kwam wegens omkoperij. Gelukkig kwam McPherson hem af en toe opzoeken in de gevangenis.

Over de periode van de ontvoering en rechtszaak zijn twee degelijke boeken over geschreven die hier tot in detail op ingaan namelijk The Vanishing Evangelist van Lately Thomas en The Verdict Is In van Raymond L. Cox. Ik adviseer Schoonhoven om die boeken eerst eens goed te lezen voordat hij met zijn oppervlakkige en suggestieve oordeel komt. Of misschien kan hij een bezoekje brengen aan het museum ter nagedachtenis aan McPherson. Hier hangt zowel de brief van de kidnappers nog aan de muur als de preek waar ze aan werkte toen ze op het strand lag. Lijkt dat op de preek van iemand die op het punt staat er met een vermeende ‘lover’ vandoor te gaan?

En haar overspannenheid? Niet gek voor iemand die twintig spreekbeurten per week hield voor vijfduizend kerkgangers en dat vele jaren lang. Volgens Sutton is het McPherson geweest die ervoor heeft gezorgd dat het Pentecostalisme in Amerika zich ontwikkelde van de marge van het protestantisme tot ‘mainstream’. Dit verhaal maakt duidelijk dat Schoonhoven zorgvuldiger met zijn voorbeelden had moeten omgaan.

Daarom is God, Geld en Gehoorzaamheid niet zo’n sterk boek. Wie het niet leest, mist eigenlijk niks, wie het wel leest wordt regelmatig door suggestieve beweringen op het verkeerde been gezet. Alleen voor wie echt geïnteresseerd is in Gert-Jan Agtereek levert het boek nieuwe en goed-onderbouwde inzichten op. In ieder geval zijn de Pinksterkerken niet zo raar als Schoonhoven ons wil doen laten geloven.

God, geld, gehoorzaamheid
Silvan Schoonhoven
Nieuw Amsterdam 2012

God, geld & gehoorzaamheid

 

Advertisements

Evangelische beweging te veelkleurig voor ‘grijze midden’

In verband met het symposium Evangelical Theology in Transition, waarop het gelijknamige boek werd gepresenteerd, schreef Mark Peter van der Bijl een recensie van het volgens hem soms erg pittige boek, dat desondanks bittere noodzaak is voor iedere evangelisch leider.

Mark Peter van der Bijl

De evangelische beweging moet gezien worden als een counter-movement, die als een kritische minderheid in de maatschappij staat om het Koninkrijk van God te laten zien. Omdat Evangelical theology in transition in het Engels is geschreven wordt is het in deze recensie nodig om eerst de definitie van het woord Evangelical, dat in het boek gebruikt wordt, uit te leggen.

Niet alle tien auteurs van het boek hangen precies hetzelfde standpunt hierover aan, maar als gemeenschappelijke definitie wordt gekozen voor wat Stanley Grenz hierover zegt: dat evangelicalism een beweging is met drie belangrijke kenmerken: bekeringsvroomheid, heiliging en zending. Deze beweging omvat volgens Grenz en de auteurs van dit boek dan ook de (of sommige) reformatorische kerken, uiteraard de evangelische, maar ook de pinksterkerken. Daarmee wordt de evangelische beweging gezien als een echte tegenbeweging.

Met de definitie is ook verklaard waarom de auteurs (tien maar liefst) uit diverse kerken afkomstig zijn, zowel van reformatorische als evangelische huize. Bijna allen geven les aan de VU (sommigen ook aan de CHE) en wel voornamelijk aan het CERT, het in 2003 opgerichte Center of Evangelical and Reformation Theology. Deze verzorgt een Engelstalig Masterprogramma theologie, waar het merendeel van de lesstof in dit boek in compacte vorm terug te vinden is. Voor (voormalige) studenten is dit boek dan ook een feest van herkenning. Voor de rest kan een toelichting geen kwaad.

In het boek nemen de tien auteurs ieder een hoofdstuk voor hun rekening, op het gebied van hun theologische expertise.  Deze auteurs zijn Henk Bakker (bekend om zijn heldere analyses), Eveline van Staalduinen-Sulman, Maarten Aalders, Ad de Bruijne, Stefan Paas, René Erwich, Bernard Reitsma, Cornelis van der Kooi, Antonie Vos en Arie Zwiep, van wie zijn boek Tussen tekst en lezer in niemand’s boekenkast mag ontbreken.

Wat is er veranderd?
De auteurs onderzoeken de veranderingen in de evangelische beweging in Nederland van de laatste tijd, waarbij ze de afgelopen veertig jaar in beschouwing nemen. De veranderingen kunnen van binnenuit zijn gekomen, maar juist ook als reactie op culturele veranderingen in de maatschappij. Dit roept weer vragen op en gelukkig zijn er ook veel antwoorden in het boek terug te vinden. Een belangrijke is dat de evangelischen van een kleine groep in de marge zijn uitgegroeid tot een invloedrijke groep om rekening mee te houden.

Een gevolg is dan ook dat de noodzaak van theologische reflectie op deze groep toegenomen is en we zien hun aanwezigheid in de (theologische) academische wereld dan ook voorzichtig toenemen. Ook het ontstaan van de EO, het Evangelische Werkverband en de groei van de Alpha cursussen zijn voorbeelden van de toegenomen impact van de evangelischen in de maatschappij. Een onderzoek (Johan Roeland, 2004, ook in zijn proefschrift uit 2009) heeft aangetoond dat 11% van de Nederlandse bevolking zich tot de evangelische beweging mag rekenen, op een totaal van 39% van alle mensen die zich religieus noemt.

Een andere belangrijke verandering (en nog niet door iedereen als zodanig herkend) is dat het fundamentalisme ten opzicht van de Bijbel (biblicisme) aan het verdwijnen is of in ieder geval zou moeten verdwijnen. De inmiddels vruchteloze debatten over de onfeilbaarheid van de Bijbel zijn hier een goed voorbeeld van. Ook de tekst van de Bijbel en haar uitleg hoeven niet noodzakelijk met elkaar samen te vallen.

Toch blijven velen het wetenschappelijk Bijbelonderzoek als een vijand zien in plaats van als een bondgenoot van het christelijk geloof. Het anti-intellectuele standpunt van vele evangelischen is blijkbaar erg hardnekkig. We zien dat ook terug in het zogenaamde Health, Wealth and Prosperity ‘evangelie’, wat steeds meer (ook in Nederland) terrein wint. Bernard Reitsma bespreekt de sterke kanten hiervan, maar zeker ook de tekortkomingen, zowel theologisch als pastoraal. Vooral voor lijdende christenen heeft dit ‘evangelie’ geen boodschap.

Hoe gaat het worden?
Dat hangt er van af of je in de vrije wil geloofd of in Gods uitverkiezing. In een tweetal artikelen wordt het open theïsme van Clark Pinnock behandeld en Antonie Vos probeert ons door het theologische en filosofische complexe terrein van de uitverkiezing te loodsen aan de hand van de standpunten van John Wesley en Arminius.

De artikelen van Stefan Paas en René Erwich gaan over de ontwikkelingen op het gebied van ecclesiologie (zoals de groeiende invloed van de zogenaamde ‘emerging church’) en het planten en stichten van nieuwe gemeenten, vaak in een innovatieve context. Henk Bakker tenslotte probeert tot een typologische karakterisering van de evangelische kerken te komen. Hij komt tot de interessante conclusie dat evangelische kerken moeten gaan kiezen om ‘zorgende’ kerken te gaan worden (of blijven) of zich te gaan richten op hun profetische taak.

Aanraden?
Een aantal van deze hoofdstukken zijn zeker niet voor de theologische leek geschikt, maar wie als evangelische leider mee wil kunnen praten en denken, doet er goed aan om dit boek aan te schaffen en zich te verdiepen in deze ontwikkelingen die ons allemaal aan gaan. Het boek is zeker een aanrader, maar de drempel is redelijk hoog doordat het in het Engels is geschreven en sommige artikelen een zelfs voor mij als academische opgeleide theoloog, pittig niveau hebben. Maar laat dat niemand afschrikken!

En of de evangelische beweging in het grote, grijze midden verdwijnt? Het boek is daar niet heel duidelijk over. Persoonlijk betwijfel ik het, gezien haar veelkleurigheid en vermogen om zich aan te passen en te innoveren.

Evangelical Theology in Transition
Edited by: C. van der Kooi, E. van Staalduine-Sulman, A.W. Zwiep.
Uitgeverij: VU University Press 2012, 270 pagina’s;
Prijs: 29,95

 

Evangelical Theory in Transition

Het verdwijnen van het ambt van profeet in de vroege kerk.

 Het verdwijnen van het ambt van profeet in de vroege kerk

Onvermijdelijk of omkeerbaar?

 1.1       Aanleiding

Bij mijn eindscriptie over het onderwerp “Een studie naar de rol van het toetsen van profetie bij drie charismatische bewegingen in de 20ste eeuw” ontdekte ik in de diverse literatuur over dat onderwerp een verlangen of zelfs diepe overtuiging van een aantal charismatische auteurs dat God het ambt van profeet zal herstellen in de kerk van vandaag. De vraag is of dat mogelijk is en wenselijk is. Door te onderzoeken wat het ambt van profeet in de vroege kerk inhield en waarom dit verdwenen is, kan misschien enig inzicht in deze vragen worden gegeven.

1.2       Onderzoeksvraag

Welke factoren hebben een rol gespeeld bij het verdwijnen van het ambt van profeet in de vroege kerk en wat zegt dat over de mogelijkheid om dit ambt weer te herstellen in (een deel van) de huidige kerk?

1.3       Methode

Ik wil via een beperkte literatuurstudie onderzoeken of er een officieel ambt van profeet was in de vroege kerk, wat dit inhield en op welke wijze dit ambt verdwenen is in het vervolg van geschiedenis van de vroege kerk. Daarna wil ik kijken of deze factoren een belemmering zijn om te komen tot de herinvoering van het ambt van profeet, zoals sommige (vooral charismatische) kerken graag zouden zien. Het boek van David E. Aune is voor mij leidend geweest, maar ik heb ook diverse andere boeken geraadpleegd die met de vroege kerk of het onderwerp profetie te maken hebben, zoals Robeck, Hill en Trevett.

1.4       Conclusies

Mijn conclusies op basis van dit korte onderzoek zijn dat profeten een belangrijke en zinvolle rol hebben gespeeld in de vroege kerk en de verkondiging van het evangelie. Het is uit de door mij geraadpleegde literatuur niet gebleken dat de profeten in een leidinggevende rol of ambt functioneerden in de vroege kerk, noch dat ze dit zelf ambieerden. Het feit dat vele profeten rondreisden en niet verbonden waren aan een vaste gemeente, heeft het ook lastig gemaakt dat ze deel uit gingen maken van de kerkelijke hiërarchie. Door de voortschrijdende institutionalisering, die m.i. onvermijdelijk was, zijn de accenten in het ambt en het daarmee verbonden gezag anders komen te liggen in de loop der jaren en eeuwen. De nostalgie van vele (vooral evangelische) gelovigen naar de eenvoud van de eerste gemeente (Hand. 4:32-35) is begrijpelijk, maar niet realistisch. Tweeduizend jaar kerkgeschiedenis laat zich niet zomaar aan de kant schuiven. Hoewel de behandeling van de Montanisten geen schoonheidprijs verdient, herken ik wel de behoefte van de kerk van toen, maar ook van nu, om meer houvast te hebben, wat betreft het hebben van duidelijkheid m.b.t. wat men gelooft, waarbij de totstandkoming van belijdenissen, de canonvorming en de eerste concilies begrijpelijk en zinvol zijn gebleken.

Ik denk dat er in de kerk van vandaag voldoende ruimte is voor de gaven van de Geest en vooral voor profetie (binnen zorgvuldige kaders), maar voor (de herinvoering van) het ambt van profeet zie ik weinig redenen. De wenselijkheid lijkt mij ook niet zo groot, als de kerk het voor het grootste gedeelte van haar geschiedenis zonder heeft gedaan. Onvermijdelijk zullen zich dan dezelfde problemen gaan voordoen die geleid hebben tot het verdwijnen van het ambt van profeet. De voorbeelden van hedendaagse profeten in wat in Amerika de ‘profetische beweging’ (mede voortgekomen uit de ‘derde golf’) wordt genoemd, zijn dan ook niet hoopvol. Een wens naar vernieuwing in kerk is goed (dit geldt wat mij betreft voor alle denominaties), dus een voortdurende semper reformanda juich ik van harte toe. Het ambt van profeet hoeft daar wat mij betreft geen deel van uit te maken.

 1.  Inleiding

Het idee dat het ambt van profeet moet worden hersteld in de huidige kerk komt vooral voor bij de nieuwere charismatische stromingen en is zeker niet een idee dat leeft bij de hele Pinksterbeweging. Daarom zal ik kort een overzicht schetsen van de diverse charismatische bewegingen om de verschillen daarmee wat duidelijker te maken.

Barrett[1] verdeelt de ‘vernieuwingsbeweging in de Heilige Geest’ in drie groeperingen die hij ‘waves’ noemt, nl. de Pentecostal renewal (vaak Classical Pentecostals genoemd), de Charismatic renewal (waar hij actieve charismatischen onder verstaat in de historische kerken) en de Neocharismatic renewal, waarbij zijn definitie veel ruimer is dan wat ik als ‘derde golf’ benoem. Meer recent komt Anderson[2] tot een vierdeling, namelijk de Classical Pentecostals, vervolgens de Older Independent and Spirit Churches. Daarna de Older Church Charismatics en ten slotte de Neo-Pentecostal en neo-Charismatic Churches. Deze laatste groep heeft weer een onderverdeling in vier subgroepen, waarbij de Third Wave churches (waar hij ook de Vineyard onder laat vallen) er één van is. Naast de theologische, historische en culturele verschillen, ziet hij als gemeenschappelijk kenmerk dat ‘they are concerned primarily with the experience of the working of the Holy Spirit and the practice of spiritual gifts’.[3]

De traditionele Pinksterbeweging is in 1906 ontstaan vanuit een opwekking wat bekend is geworden als de Azusa Street Revival in Los Angeles. Van hieruit zijn alle grote Pinksterdenominaties ontstaan, zoals de Assemblies of God, met wereldwijd 64 miljoen leden.

Met de Charismatische beweging wordt een stroming aangeduid binnen bestaande (traditionele) christelijke kerken, waarbij ruimte is voor het geloof in, en het beoefenen van de gaven van de Geest. Het historische begin hiervan wordt toegeschreven[4] aan de publieke bekendmaking van de Episcopaalse priester Dennis Bennett dat hij in tongen sprak in het voorjaar van 1960 in de Verenigde Staten.

 De ‘derde golf’ was jarenlang een aanduiding voor de Vineyard beweging, een kerkgenootschap o.l.v. John Wimber, die bekend geworden is door zijn nadruk op ‘tekenen en wonderen’. Het is in deze beweging en wat Anderson de neo-Charismatic Churches noemt, waarbij men de overtuiging heeft dat God het ambt van profeet (maar ook van apostel) zal herstellen. Auteurs die deze overtuiging aanhangen zijn o.a. C. Peter Wagner, Jack Deere, Mike Bickle, David Pytches, Bill Hamon en vele anderen. Deze kerken hebben vaak een conservatief-evangelische achtergrond.

 De Assemblies of God, als grootste traditionele Pinksterdenominatie, distantieert zich juist nadrukkelijk van dit idee dat deze titels nog gebruikt moeten worden, hoewel ze wel de functie ervan verwelkomt:[5]

“Prophets in the New Testament are never described as holding a recognized office or position as in the case of pastors and evangelists.”

     2.  Ontwikkeling van het ambt van profeet in de vroege kerk

Profeten zijn niet bij de vroege kerk begonnen, maar spelen in het Oude Testament ook al een grote rol als de boodschappers die de woorden van God doorgaven. “Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten,” (Hebr. 1:1). Zowel Aune[6] als Robeck[7] beschrijven dat profetie (en profeten) niet alleen in Israël voorkwam, maar een wezenlijk onderdeel was van het godsdienstige leven in het Midden-Oosten en de Grieks-Romeinse tijd. Dit was vaak in combinatie met vormen van waarzeggerij of plaatsen waar orakelen konden worden geraadpleegd, zoals in Delphi.

“On the whole, divination and prophetic, even apocalyptic, activity were present throughout the Near East and running both prior to and concurrent  with Israel’s own prophetic period.”[8]

Volgens Robeck waren de kerkvaders, zoals Justinus de Martelaar en ook Origines en Tertullianus, unaniem in hun veroordeling van de profetische activiteiten in de Griekse en Romeinse godsdienst, omdat zij de inspiratiebron als demonisch beschouwden. Het voorbeeld van het waarzeggende meisje in Hand. 16:16, duidt erop dat ook in het Nieuwe Testament deze activiteit voorkwam en ook door Paulus veroordeeld werd.

Profetie zoals dit aanwezig was in het vroege Christendom van de eerste twee eeuwen na Chr. noemt Aune ‘Christian prophecy’ of ‘congregational prophecy’.[9] Kay[10] noemt dit ‘post-pentecost prophecy’. Voor hem is dit ook ‘full congregational prophecy’.[11] Aune beschrijft dat de voornaamste bronnen die we hebben over deze vorm van profetie, het gedeelte van Paulus in 1 Kor. 12-14, de Didachè 10-13 en vooral de Handelingen der Apostelen zijn. Ook kan de Openbaring van Johannes[12] als een profetisch geschrift worden beschouwd.

“Acts contains a wealth of information regarding prophecy and other revelatory phenomena in earliest Christianity.”[13]

Om te begrijpen hoe profetie werkte en wat de rol en het mogelijk ambt van profeet inhield, zullen we dit dus eerst in het Nieuwe Testament moeten bestuderen.

Aune[14] beschrijft dat er twee standpunten zijn m.b.t. tot wie aanspraak kon maken op de titel van profeet. Het eerste standpunt is dat ‘congregational prophecy’ de dominante vorm van profetie was, die werd beoefend in het vroege christendom, waarbij iedereen kon profeteren en dat slecht weinigen de rol van profeet vervulden. Het andere standpunt is dat het profeteren was voorbehouden aan een kleine groep mensen die een erkende rol van profeet hadden in de kerk. In het Nieuwe Testament wordt het zelfstandig naamwoord prophêtês 19 keer gebruikt en bij de Apostolische Vaders 21 keer. Uit de woorden van Paulus aan de gemeente in Korinte kunnen al wat voorzichtige conclusies worden getrokken over de gedachten van Paulus. Paulus noemt degenen die profeteren ‘profeten’ (1 Kor. 14:29, 32, 37). Voor Paulus zijn profeten ook door God aangesteld in de kerk (1 Kor.12:28-29), maar niet allen zijn profeet (1 Kor. 12:29). Ook de auteur van het boek Openbaring maakt diverse referenties naar profeten (Op. 11:18, 16:6, 18:20, 18:24, 22:6, 22:9). Hieruit valt af te leiden dat profeten een identificeerbare groep mensen waren, te onderscheiden van gewone gelovigen of apostelen. In het boek Handelingen opereren profeten vaak in (kleine) groepen (Hand. 11:27-8, 13:1-3, 15:32), hoewel Agabus daar de uitzondering op lijkt te zijn. De conclusie die Aune hier uit trekt is:

“In sum, it appears that these designated “prophet” in early Christianity were specialists in mediating divine revelation, not simply those who occasionally prophesied.”[15]

Volgens Aune was er geen officieel ‘ambt’ van profeet in de vroege kerk. Profeten waren degenen die de woorden van God doorgaven tijdens de liturgie, waarbij profetie dan een functie was i.p.v. een ambt.[16] De drie belangrijkste termen die Paulus noemt voor leiderschap in de vroege kerk (apostelen, profeten, leraren), komen volgens Aune alleen voor bij de brieven van Paulus. De belangrijkste leiderschapsrol in het vroege Christendom was dat van apostel, oorspronkelijk een titel voor de eerste twaalf discipelen van Jezus, maar later een meer algemene aanduiding voor zendelingen die rondreisden en het evangelie predikten. Volgens Aune is de profeet nooit echt geïntegreerd in de organisatorische structuur van de kerk. Datzelfde geldt volgens hem ook voor de apostel, maar dan om andere redenen namelijk:

“Apostleship was, by definition, a temporary task executed in a variety of different locations; it consisted largely of evangelization and the consequent foundation of new Christian communities.”[17]

Aune beschouwt profeten als een unieke vorm van leiderschap, omdat hun gezag van God kwam. Daarmee floreerden de profeten ook voornamelijk in de periode voordat de kerk volledig geïnstitutionaliseerd was en ook in ‘settings’ die minder gedefinieerd of gestructureerd waren. Naarmate de traditie en leer sterker ontwikkeld werd, moesten ook profeten hieraan voldoen, zoals blijkt uit de test in 1 Joh. 4:1-3.

Grudem[18] gaat uitgebreid in op de vraag of profeten een soort ‘charismatisch leiderschap’ vormden in de vroege kerk, zoals sommigen beweren. Degenen die deze mening aanhangen, gaan ervan uit dat het aanstellen van oudsten (en diakenen) een late ontwikkeling is, mogelijk zelfs na de tijd van Paulus. Grudem deelt deze mening niet en zegt dat er voldoende verwijzingen zijn naar ‘oudsten’ in Handelingen en de andere Nieuw Testamentische geschriften om aan te nemen dat de apostelen, samen met de oudsten de leidinggevende verantwoordelijkheid in de christelijke gemeenten hadden. Hij ziet geen bewijs in het Nieuwe Testament dat profeten een leidinggevende rol hadden in de gemeente, hun taak was immers om op te bouwen en te bemoedigen. (zie Hand. 15:32).

Een belangrijk (vroeg) document wat ingaat op het omgaan met profeten (vooral de rondreizende profeten) is de Didachè, een geschrift van een onbekende auteur, vermoedelijk geschreven rond 100 n. Chr. in een plattelandcontext in Syrië. In dit boek blijkt dat er in de na-apostolische periode nog steeds sprake is van diverse ambten zoals profeten, apostelen en leraars. Blijkbaar was het gebruikelijk dat zij rondreisden (Did. 11:1-12), en de Didachè geeft voorschriften hoe daar mee om moet worden gegaan, maar werd het zeer gewaardeerd als zij zich ergens permanent vestigden (Did. 13:1-7). Niet elke gemeente had blijkbaar een eigen residentiële profeet (Did. 13:4). Door zich ergens te vestigen, kan de rol van een profeet wel veranderen.

“The need for settled leadership to counter deception is apparent in the Didache where prophets are urged to settle with a local congregation. Where such a prophet permanently settled, his authority would immediately have been recognized and he would, to all intents and purposes, have become a monarchical bishop.”[19]

De rondreizende profeten moesten wel getoetst worden op hun gedrag en levensstijl (Did. 11:7-12). Dat geeft aan dat hun gezag niet onbeperkt is, wat al zou moeten blijken uit de opdracht van Paulus om profetie te toetsen (1 Kor. 14:29). In de Didachè ligt volgens Aune het hoogste gezag dan nog niet bij een bepaald ambt, maar bij de gemeenschap.

“By insisting that true prophets conform to particular community norms, the communities exerted enormous pressure on these itinerant prophets to conform to Christian expectations. In this sense the prophets of the Didache are clearly subordinate to the communities they serve.”[20]

  3.  Verdwijnen van het ambt van profeet

Het is een historisch gegeven dat de kerk zich in de loop der eeuwen is gaan institutionaliseren, een proces dat zich volgens Aune[21] niet overal in het Grieks-Romeinse rijk in hetzelfde tempo voltrok.

“The institutionalization of early Christianity involved not only the establishment of regular leadership within a coherent organizational, but also the development of traditions and customs as well as specialized roles, social rules, and social values.”[22]

Door deze sociale veranderingen was er volgens Aune weinig plaats meer voor profeten. De institutionalisering hield ook in dat de andere ambten groeiden in hun gezag en autoriteit. Ook heeft de voortgaande Hellenisering van de kerk er voor gezorgd dat het enthousiasme en de extase van de profeten in toenemende mate werd vervangen door de meer rationele en didactische vormen van de leraren, predikers en theologen. Hun gezag was niet gebaseerd op goddelijke openbaringen, maar op de uitleg van de traditie en de Schriften. Deze institutionalisering van de kerk wordt in sommige kringen (bijvoorbeeld evangelischen en de Pinksterbeweging) als negatief gezien. Aune noemt dit in een voetnoot[23] een theologische evaluatie, terwijl volgens hem alle sociale bewegingen gaan institutionaliseren òf gaan verdwijnen. Zonder institutionalisering zou de kerk dus niet meer bestaan.

Clifford Hill[24] bevestigt dat met het institutionaliseren van de kerk het gezag verschuift en gaat verder in op dit groeiende conflict m.b.t. gezag en autoriteit. Zeker met de komst van het Montanisme (170 n. Chr.), komen een aantal zaken op dit terrein scherper naar voren.

“The Montanists’ claim to divine revelation directly through the Holy Spirit meant that they were claiming an authority greater than that of the bishops.”[25]

Hill noemt de periode vanaf het einde van de 2e eeuw een periode van overgang.[26] Profetie kwam al niet meer zoveel voor, maar door het Montanisme kwam dit in een aantal gebieden (centraal Turkije, maar ook Noord Afrika door de invloed van Tertullianus) weer terug. Uiteraard legden zij op een aantal punten andere accenten (levensstijl, wederkomst, vrouw in het ambt), maar volgens Hill was de gezagskwestie het breekpunt. Volgens hem hadden de kerkleiders de ambitie om voor zichzelf absoluut gezag te verwerven. In deze tijd was de canon van de Bijbel nog niet voltooid en waren er een groeiend aantal leringen die als ketters werden gezien, omdat ze bepaalde aspecten van het evangelie zouden verminken. Hill vindt het dus begrijpelijk dat de bisschoppen alles gingen onderdrukken wat verdeeldheid (of verwarring) kon brengen. Institutionalisering leidde tot een groeiend gezag bij de bisschoppen en profetische openbaringen werden beschouwd als een bedreiging van hun gezag. Een eeuwenlange vervolging van het Montanisme was het gevolg, maar zij kon zich nog handhaven in Noord Afrika tot de vierde eeuw en in Turkije tot de 6e eeuw. Hill noemt dit ‘a sad chapter in the history of the church.”[27]

De strijd tegen het Montanisme bracht wel meer eenheid (vooral op leerstellig gebied) in de kerk en heeft ook de vorming van de canon versneld.

“In the formative period of church order, doctrine and practice, it was important to establish the source of authority or the result would have been spiritual anarchy and the church would have been engulfed in heretical sects and syncretistic cults.”[28]

Maar deze eenheid was wel tegen een hoge prijs, zeker voor degenen die voorstander zijn van de bediening van profeten en het gebruik van de gaven van de Geest:

            “Unity within the church was achieved at the expense of prophetic revelation.”[29]

Robeck ziet (in navolging van Adolf van Harnack) de vorming van de canon ook als één van de redenen van het teruglopen van het gebruik van de gaven van de Geest en profetie in het bijzonder.[30] Ook werden de gaven in toenemende mate geïdentificeerd met het leiderschap van de kerk en de bisschoppen in het bijzonder. De slechte reputatie van het Montanisme (uiteindelijk) en de groeiende macht en invloed van het ambt van bisschop, zorgden ervoor dat de noodzaak voor de bediening van profeet zo goed als verdween, hoewel dit volgens Hill in de marge van (maar ook buiten) de kerk nog wel voorkwam. Hill citeert Karl Rahner, een Rooms Katholiek theoloog die zegt:

            “In fact, there has always been the charismatic element in the church”[31]

Anderson[32] bevestigt het gebruik van de gaven door de eeuwen heen, maar weet dit ook te relativeren. Hij zegt:

“But all these were isolated and unusual events in the lives of saints and mystics, certainly not expected to be part of ‘normal church life’.”

Trevett schreef een gezaghebbend boek[33] over het Montanisme, waarin zij ook de strijd om het gezag herkent tussen het Montanisme en de bisschoppen. Zij benadrukt in haar boek ook één van de kenmerken waar het Montanisme bekend om is geworden, namelijk vrouwelijke profeten. Een ander probleem wat zij onderkent was dat het Montanisme met nieuwe openbaringen kwam. Deze combinatie was te bedreigend voor de meeste kerkleiders van die tijd, volgens Trevett:

    “On the other hand, the Prophecy meant that the reliability of sober, learned, male catholic leaders might be challenged on the     basis of allegedly new insights, or of prophetic and other charismatic powers and even by women.”[34]

Uiteindelijk heeft het Montanisme geen nieuwe leringen gebracht of zijn hun geschriften in de canon van de Bijbel opgenomen en hebben de discussies over de geschriften die het Montanisme inspireerden (het Johannes evangelie, de Openbaring en wellicht de Hebreeën brief) de vorming van de canon zelfs vertraagd, omdat de kerk achterdochtig was over de geschriften die het Montanisme zouden hebben geholpen. Dit bevorderde dus een zeker conservatisme en het vertrouwen op dat wat al bekend was.

“Reliance on the insights of time past was safer, especially if the Church could keep a hold on the ‘correct’ interpretation of those insights. Present revelation was disturbing, brought problems of testing and challenged established authority.”[35]

Het Montanisme, ongeacht hoe men hier over denkt, kan dus gezien worden als het keerpunt in het omgaan met profetie en profeten. Dit zal nog eeuwenlang zo blijven, tot aan het begin van de 20ste eeuw:

“From the time of the elimination of the Montanists in the sixth century, there was no major movement emphasizing prophetic revelation and the exercise of spiritual revelation until the Pentecostal movement of the twentieth century.

David Pytches[36], een charismatische Engelse Anglicaanse priester, wijt het verdwijnen van de gave van profetie (en daarmee indirect dus ook de bediening van profeet) aan het koppelen van de gaven van de Geest met de (kinder) doop en later de belijdenis. De doop was (of werd) een initiatie ritueel waar de geestelijke gaven werden ontvangen. Hiermee werden de charismata onderdeel van de liturgie en kon alleen maar worden doorgegeven door erkende ambtsdragers in de kerk in plaats van dat de gaven rechtstreeks van God komen (of kunnen komen) evt. buiten de kerkelijke hiërarchie om. Pytches vindt het onbestaanbaar dat God alleen maar zou kunnen werken binnen de orde van de kerk en betreurt het dat mede op deze wijze de gave van profetie is verdwenen. De volgende stap in de kerkgeschiedenis was dat de bisschoppen en diakenen de taak van de profeet overnamen, waardoor het profetische woord alleen nog maar klonk via de prediking, zoals geïnterpreteerd door de erkende ambtsdragers in de kerk.[37]

“prophecy declined to some extent in the early church…because of an increasing emphasis on the authority of the bishops. The established Church seemed at last to have God and prophecy nicely ordered. But the problem still exists; the wind will always blow wherever it pleases.”[38]

Het is duidelijk dat Pytches niet gelukkig is met deze ontwikkelingen die er zijn geweest in de vroege kerk en hij is dan ook één van degenen die een voorstander is van de invoering van het ambt van profeet in de kerk van vandaag.[39]

Aune signaleert in de vroege kerk een conflictgevoeligheid tussen de profeten en de ‘church officials’. Hij ziet de kwetsbaarheid van de profeten, mede door de (groeiende) kracht van het conservatisme in de Christelijke traditie.

“Further, ecclesiastical authorities could always discredit a prophet by charging him with transgressing the norms of Christian behavior and thus regarding him as a charlatan, or by charging him with propagating deviant forms of teaching and associating him with demon passion.”[40]

 

Bibliografie

  • Anderson, Allen (e.a.), Studying Global Pentecostalism Theories + Methods (Berkeley: University of California Press, 2010).
  •  Anderson, Allen, An introduction to Pentecostalism (Cambridge: Cambridge University Press, 2010 (fifth printing)).
  •  Aune, David E., Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World (Eugene: Wipf and Stock Publishers, 1983).
  •  Barrett, David B., World Christian Encyclopedia Volume 1 (Oxford: University Press, 2001, second edition).
  •  Broeyer, F.G.M. (red), Profetie en godsspraak in de geschiedenis van het christendom (Zoetermeer: Boekencentrum, 1997).
  •  Grudem, Wayne, The Gift of Prophecy In the New Testament and Today (Eastbourne: Kingsway Publications, 1998).
  •  Herwijnen, Dr. W. Van, Rentree van de profetie (xxx: Primo Vere, 2010).
  •  Hocken, P.D., artikel ‘Charismatic Movement’, uit The New International Dictionary of Pentecostal Charismatic Movements (Grand Rapids: Zondervan, Fourth printing with corrections – October 1990).
  •  Hill, Clifford, Prophecy Past & Present (Guilford: Eagle, 1989; Revised and updated edition 1995).
  •  Jefford, Clayton N. (Ed.), The Didache in Context Essays on Its Text, History and Transmission (Leiden: E.J. Brill, 1995).
  •  Kay, William K., Prophecy! (Doncaster: Lifestream Publications, 1991).
  •  Pytches, David, Some Said It Thundered (London: Hodder and Stoughton, 1990).
  •  Pytches, David, Prophecy in the local church (London: Hodder and Stoughton, 1993).
  •  Robeck, Jr., C.M., artikel ‘Gift of Prophecy’, uit The New International Dictionary of Pentecostal Charismatic Movements (Grand Rapids: Zondervan, Fourth printing with corrections – October 1990).
  •  Trevett, Christine, Montanism, Gender, authority and the New Prophecy (Cambridge: Cambridge University Press, 2002).

 

 

Voetnoten:

[1] David B. Barrett, World Christian Encyclopedia Volume 1 (Oxford: University Press, 2001, second edition). p.19-22

[2] Allen Anderson, (ea), Studying Global Pentecostalism Theories + Methods, Berkeley: University of California Press, 2010, p.16-20

[3] Anderson, (ea), Studying Global Pentecostalism Theories + Methods, p.17

[4] Volgens P.D. Hocken in een artikel ‘Charismatic Movement’, uit The New International Dictionary of Pentecostal Charismatic Movements (Grand Rapids: Zondervan, Fourth printing with corrections – October 1990). p.130

[5] Bron: http://ag.og/top/belifs/topics/sptlissues_prophets_prophecies.cfm (geraadpleegd 22-5-2012)

[6] David E. Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World (Eugene: Wipf and Stock Publishers, 1983). p.23-79

[7] C.M. Robeck, Jr., artikel ‘Gift of Prophecy’, uit The New International Dictionary of Pentecostal Charismatic Movements (Grand Rapids: Zondervan, Fourth printing with corrections – October 1990). p.728-730

[8] C.M. Robeck, Jr., ‘Gift of Prophecy’, p.729

[9] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.189-200

[10] William K. Kay, Prophecy!, Doncaster: Lifestream Publications, 1991, p.12, 64

[11] Kay, Prophecy!, p.71

[12] Zie Op. 1:3; 22:10

[13] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.191

[14]Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.195-198

[15] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.198

[16]Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.201, 9

[17]Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.203

[18]Grudem, Wayne, The Gift of Prophecy In the New Testament and Today (Eastbourne: Kingsway Publications, 1998). p.183-189

[19] Clifford Hill, Prophecy Past & Present (Guilford: Eagle, 1989; Revised and updated edition 1995).p .259

[20] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.209

[21] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.203

[22] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.204

[23] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.406

[24] Clifford Hill, Prophecy Past & Present (Guilford: Eagle, 1989; Revised and updated edition 1995).

[25]Hill, Prophecy Past & Present, p.265

[26]Hill, Prophecy Past & Present, p.253-269

[27]Hill, Prophecy Past & Present, p.265

[28]Hill, Prophecy Past & Present, p.265

[29]Hill, Prophecy Past & Present, p.265

[30] Robeck, Jr., ‘Gift of Prophecy’, p.737

[31]Hill, Prophecy Past & Present, p.268

[32] Allen Anderson, An introduction to Pentecostalism, Cambridge: Cambridge University Press, 2010 (fifth printing), p.23

[33] Trevett, Christine, Montanism, Gender, authority and the New Prophecy (Cambridge: Cambridge University Press, 2002).

[34]Trevett, Montanism, Gender, authority and the New Prophecy, p.136

[35] Trevett, Montanism, Gender, authority and the New Prophecy, p.137

[36] David Pytches, Prophecy in the local church (London: Hodder and Stoughton, 1993). p.158-159

[37]Pytches, Prophecy in the local church, p.160

[38]Pytches, Prophecy in the local church, p.160

[39] David Pytches, David, Some Said It Thundered (London: Hodder and Stoughton, 1990). p.143

[40] Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, p.205

Portretten van enkele Pinksterpioniers

John Alexander Dowie (1847-1907) was van Schotse afkomst, woonde enige tijd in Australië en volgde zijn theologische opleiding in Schotland, waarna hij terugkeerde naar Australië. Zijn bediening begon in de Congregational Church (1872), waar hij al vroeg ontdekte dat hij een genezingsbediening had. Na enige jaren richtte hij zijn eigen kerk op en een Divine-Healing Association. In een visioen kreeg hij de opdracht om de genezingsboodschap naar alle landen te brengen. In 1888 vertrok hij naar Amerika (eerst San Francisco en later Chicago) waar zijn reputatie als een ‘genezer’ snel rondging en na enige jaren werd hij beschouwd als de belangrijkste vertegenwoordiger (leider) van de ‘divine-healing movement’ in Amerika. Hij stichtte de kerk Christian Catholic Church (1895) en rond 1900 kocht hij een groot stuk land waar hij een christelijke gemeenschap genaamd Sion City stichtte. Hier woonden ongeveer 6.000 mensen gedurende enige jaren. Hij riep zichzelf uit tot de nieuwe Elia en later ook tot de Eerste Apostel. Uiteindelijk kreeg hij ernstige gezondheidsproblemen en ook financiële problemen leiden tot de ondergang van dit unieke experiment van een theocratie. De invloed van Dowie is vooral door de mensen die enige tijd doorbrachten in Sion City en zijn ideeën over ‘divine healing’.

 Frank Bartleman (1871-1936) werd geboren aan de oostkust van Amerika en kwam tot geloof in 1893 in een Baptistenkerk waar hij ook theologie studeerde en een preekvergunning kreeg. Door de jaren heen is hij bij een groot aantal kerkgenootschappen betrokken geweest, maar bleef nooit ergens lang. Hij had last van een zwakke gezondheid en had vaak financiële problemen. Hij kan gekenmerkt worden als een rondreizende evangelist en journalist. In 1904 vestigde hij zich in Los Angeles waar hij in 1906 regelmatig Azusa Street bezocht. Zelf ontving hij de ‘doop in de Heilige Geest’ op 16 augustus 1906 in zijn eigen kerk en verkondigde de Pinksterboodschap op al zijn reizen in binnen- en buitenland. Bartleman was een tegenstander van de overaccentuering van de gave van het spreken in tongen. De liefde (1 Cor. 13) en Jezus hadden wat hem betreft voorrang boven het spreken over de Heilige Geest en de gave van tongen. Hij had ook sterke ideeën over sociale gerechtigheid, gelijkheid voor rassen en was een overtuigde pacifist en dus een tegenstander van Amerikaanse betrokkenheid bij de 1e Wereldoorlog. Hij was een tegenstander van organisatie, dus ook van de betrokkenheid van de overheid om sociale problemen op te lossen. Hij zag heel scherp een aantal problemen op dat terrein, maar was niet in staat om oplossingen aan te dragen. Zijn invloed ligt in de vele publicaties die hij heeft geschreven over de ‘Azusa Street opwekking’. Vanaf de 1e Wereldoorlog is hij minder prominent aanwezig o.a. door zijn sympathie voor de “Oneness Pentecostals” en door zijn zendingswerk meer op de achtergrond gekomen.

 Charles Harrison Mason (1862 (of 1866[1]?)-1961) groeide op als kind van (voormalige) slaven in het zuiden van Amerika, waar rassenscheiding heel gewoon was. Zijn kerkelijke achtergrond was Baptist en hij kwam tot geloof op 17 jarige leeftijd. Op 31 jarige leeftijd kreeg hij een preekbevoegdheid en omstreeks die tijd kreeg hij ook een ‘sanctification’ ervaring en raakte steeds meer betrokken bij ‘Holiness’ kringen. Mason zag het verwerpen van het rassenvooroordeel als een wezenlijk onderdeel van de christelijke boodschap. Hij haalde z’n theologische diploma aan het Minister’s Institute of Arkansa Baptist College in Little Rock in 1893. In 1897 richtte hij (mede) de Church of God in Christ (CGIC) op die uit zou groeien tot een van de grootste (voornamelijk zwarte) Pinksterkerken in Amerika. In 1906 gaat Mason voor een aantal weken naar Azusa Street en ontvangt de doop in de Heilige Geest. Als hij deze Pinksterboodschap in zijn eigen kerk predikt, leidt dit tot een splitsing. Toch groeit zijn kerk heel hard met zowel blanke als zwarte kerken en voorgangers. Hoewel zowel in Azusa Street als in de kerk van Mason gelijkwaardigheid van de rassen hoog in het vaandel staat, keert het tij toch vanaf 1914 en worden de Pinksterkerken steeds meer georganiseerd naar ras, d.w.z. zwarte kerken en blanke kerken, hoewel de CGIC dit nog een aantal jaren weet te rekken. Ook Mason had sterke pacifistische overtuigingen, wat ook tot problemen met de overheid leidde. Tot op hoge leeftijd gaf Mason leiding aan zijn kerkgenootschap, waarmee hij een enorm stempel op het Pentecostalisme heeft gedrukt.

 Alma White (1862-1946) werd geboren in Kentucky als zevende kind en op haar 16e tot geloof gekomen in een Methodistische Episcopaalse kerk. Meteen ervoer ze een roeping tot het ‘ambt’, maar omdat dit binnen die kerk niet mogelijk was, ging ze in het onderwijs. In 1887 trouwde ze met Kent White, die kort daarna afstudeerde en daarna diaken en later ouderling in de Methodist Episcopal Church werd. In 1893 ervoer Alma ook een ‘sanctification’ ervaring en begon daarover te getuigen, waarna de stap om te gaan preken ook niet groot was. Vanaf 1896 begon het echtpaar samen een ‘mission’ en waren beiden fulltime met het evangelisatie werk bezig. Er ontstonden meer afdelingen en dit werd de Pentecostal Union waar Alma leiding aan gaf. In 1918 werd haar de titel van Bisschop gegeven. Haar man bekeerde zich tot de leer en ervaring van Pinksteren en mogelijk is dit één van de aanleidingen geweest van haar levenlange verzet tegen de opkomende Pinksterbeweging. De Pinksterbeweging bestreed ze met de meest zware (verbale) beschuldigingen, zoals in haar boek Demons and Tongues. Later in 1919 veranderde ze de naam van haar kerk in Pillar of Fire omdat ze de naam ‘Pentecostal’ te besmet vond, hoewel velen vonden dat de diensten veel overeenkomsten vertoonden. Ook Aimee Semple McPherson kon op haar stevige kritiek rekenen, waarbij ze zelfs een dienst verstoorde.

William H. Durham (1873-1912) is geboren in Kentucky, verhuisde later naar Chicago en was vanaf 1891 lid van een Baptisten kerk en kwam in 1898 tot geloof. In 1902 ontving hij zijn ‘ordination’ bij de World’s Faith Missionary Association en werkte als voorganger in North Avenue Mission in Chicago. Begin 1907 ging Durham naar Los Angeles om de opwekking in Azusa Street zelf te aanschouwen. Pas na drie weken daar (op 2 maart 1907) ontving hij de doop met de Heilige Geest en sprak in tongen. Bij terugkeer in Chicago deelde hij deze ervaring en brak er een ‘opwekking’ uit in zijn kerk, waarbij er dagelijks overvolle bijeenkomsten werden gehouden die soms de hele nacht door gingen. Doordat er ook diverse mensen van andere nationaliteiten in zijn kerk kwamen, werd de Pinksterboodschap in korte tijd ook verspreid naar o.a. Noorwegen, Italië en Brazilië en Zweden. Ook moet hij zijn kerkgebouw aanzienlijk vergroten en doopt 800 mensen in twee jaar tijd. Hij begint met het uitgeven van tijdschriften en foldertjes en in 1912 zijn er mede door zijn toedoen al 12 ‘Pentecostal’ kerken ontstaan in Chicago. Vele latere pioniers van de Pinksterbeweging zijn door hem getraind of beïnvloed. Bijvoorbeeld Robert en Aimee Semple, de latere oprichtster van de Foursquare Church die gedurende heel 1909 Durham assisteerden en ook door hem ‘ge-ordained’ werden. In dat jaar overleed ook zijn vrouw, maar Durham gaf zichzelf geen tijd voor rouw en verdubbelde zijn inspanningen voor het Koninkrijk van God. Ook in Canada sticht hij een aantal kerken en kort daarna overlijdt één van zijn kinderen. In het Pinksternetwerk in Chicago liggen de theologische accenten iets anders dan in Los Angeles en met name over het onderwerp van ‘santification’. Hij verwierp het leerstuk van de heiligmaking als ‘second work of grace’ en stelde daar voor in de plaats het ‘finished work of Christ’. Waarschijnlijk was dit iets wat hij al eerder geloofde en wat wel gebruikelijk was in de kringen van de WFMA. Hij begint deze ‘nieuwe’ boodschap vol overtuiging te verkondigen en uiteraard ontmoet hij veel weerstand in Pinksterkringen. In februari 1911 vestigt hij zich in Los Angeles en preekt zelfs eenmaal in Azuza Street, maar daar kunnen ze zijn afwijkende leer niet waarderen. Hij huurt een zaal in de buurt en trekt veel mensen weg van de gemeente in Azusa Street. Hij trekt echter voornamelijk blanke mensen aan en neemt eigenlijk de rol over van de belangrijkste Pinksterleider op dat moment. Uiteindelijk wordt zijn ‘leer’ de algemeen aanvaarde leer in Pinksterkringen, maar daar is wel de nodige (?) strijd en conflicten aan vooraf gegaan. In 1912 hertrouwt hij, maar niet lang daarna sterft hij op slechts 39-jarige leeftijd aan de combinatie van tuberculose en uitputting. Na Los Angeles was Chicago de meest invloedrijke stad voor de verspreiding van de Pinksterboodschap, mede door de gunstige geografische ligging en de inzet en contacten van Durham. Ook is hij verantwoordelijk voor de grote theologische verandering wat betreft het leerstuk van de ‘sanctification’. Zijn opvattingen over denominationale structuren en theologische opleidingen, waar hij niks in zag, zijn niet opgevolgd door de latere Pinksterbeweging. Toch kan hij gezien worden als wellicht de invloedrijkste pionier van de Pinksterbeweging.

Bibliografie

  • Goff, James R. Jr en Grant Wacker (eds), Portraits of a Generation, Early Pentecostal Leaders (Fayetvill; Arkansa University Press, 2002)
  • Stanley M. Burgess and Gary B. McGee (eds.), Dictionary of Pentecostal and Charismatic Movements, (Zondervan Publishing House 1990, 4e druk)
  • Jan Radder, De Pinksterpioniers van Topeka en Asuza Street, (uitg. Rafaël 2006)

  

 

http://www.amazon.de/Portraits-Generation-Early-Pentacostal-Leaders/dp/1557287317/ref=sr_1_1?ie=UTF8&qid=1400680474&sr=8-1&keywords=Portraits+of+a+Generation%2C+Early+Pentecostal+Leaders

 

 

 

 

[1] Dictionary of Pentecostal and Charismatic Movements, p. 585

‘Geen enkele uitleg heeft laatste woord’

Hoe lees je de bijbel? Na verschillende artikelen over kerkvernieuwing gaat Mark Peter van der Bijl in op de manier waarop de bijbel gelezen wordt. Dat doet hij aan de hand van het boek van Arie Zwiep, dat voor hem ook een eye-opener was.

Mark Peter van der Bijl

Het vertrekpunt van theoloog Arie Zwiep in Tussen tekst en lezer is de bijbel in zijn concreet-historische gegevenheid: De bijbel is dus niet een boek voor nu, maar geschreven in een tijd en een context van die tijd. En daarbinnen moet deze ook begrepen worden. De wereld van toen is een andere dan de wereld van nu, tussen beide is een diepe kloof.

Hermeneutiek, waar dit boek over gaat, heeft te maken met het overbruggen van deze kloof van de wereld van de tekst en de wereld van de lezer. In de theologie was hermeneutiek in eerste instantie dan ook de hulpwetenschap die de bijbelse exegeet (uitlegger van de bijbel) de regels van tekstuitleg aanlevert. In principe is deze wetenschap objectief en staat ze in dienst van de bijbeluitleg.

Voor de meeste mensen is inmiddels wel duidelijk dat een eenvoudig beroep op de bijbel (De bijbel zegt..) tegenwoordig niet meer voldoende is, omdat een tekst lezers nodig heeft, maar ook is een model noodzakelijk voor het begrijpen van de factoren die een rol spelen bij het interpretatieproces.

Manieren van bijbeluitleg
De bekendste van deze modellen is de Wesleyaanse Quadrilareral, een term die je direct mag vergeten. Deze bestaat uit vier componenten: de ‘Schrift’ (bijbel), de traditie, de rede en de ervaring. Over het algemeen ligt bij de meeste manieren van uitleg de nadruk op één van deze componenten, maar dat zal dan wel ten koste gaan van de objectiviteit. Als je dit door de eeuwen heen gaat bestuderen, wat Zwiep uitgebreid en deskundig heeft doet, krijg je een boeiend beeld van de bijbeluitleg en herken je ook vaak de kerkelijke belangen die een rol hebben gespeeld in de bijbeluitleg.

De rode draad die ik uit de geschiedenis van de hermeneutiek haal, is enerzijds de strijd tussen de wetenschap en de kerk en anderzijds de strijd tussen de kerk en het individu. Wie heeft het laatste woord over de juiste uitleg? Welke methode of principes kunnen daarbij een hulp zijn?

Allegorie en letterlijk
In meer dan vierhonderd pagina’s beschrijft Zwiep hoe in de eerste eeuwen van het christendom de allegorische methode van bijbeluitleg aan populariteit wint. In deze methode gaat het niet om de letterlijke, woordelijke betekenis, maar om de dieper liggende geestelijke of mystieke betekenis ervan. Bij deze methode hing ook een sterk geloof van de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament ten grondslag en van Gods heilshandelen (de manier waarop God ‘verlossing’ brengt). Deze methode was echter alleen geschikt voor de ingewijden, terwijl de massa nooit verder kwam dan het letterlijke, woordelijke niveau van lezen.

Het voordeel was wel dat de kloof tussen de tekst en de lezer overbrugd kon worden en de tekst als gezaghebbend werd beschouwd. Diverse mensen die later als ketter (mensen die een verkeerde leer aanhingen) werden veroordeeld, zoals Marcion, verwierpen de allegorische methode en kozen voor de letterlijke, historische uitleg.

De allegorische  methode komt tot grote bloei in Alexandrië, wat tevens een belangrijk centrum voor theologie wordt met kerkvaders als Clemens en Origines. Bij Origines vindt de openbaring van God wel plaats in de woorden van de Schrift, maar valt zij er niet mee samen en gaat er niet in op. Dit voorkomt een krampachtig omgaan met de bijbel.

Tot ver in de Middeleeuwen blijft de allegorische uitleg de belangrijkste kerkelijke methode van bijbelinterpretatie. Vanaf Tertullianus (200 n. Chr.) groeit de opvatting dat de bijbel het boek is van de orthodoxe kerk en niet van de ketters en dwaalleraren. Dit heeft er toe geleid dat de correcte uitleg van de bijbel in handen kwam te liggen van de kerkelijke elite. In de kloosterordes echter, zien we wel een terugkeer naar de letterlijke en historische uitleg van de bijbel, maar bleef zij wel in overeenstemming met de leer van de kerk.

Kennismonopolie
Met het humanisme en de reformatie kom er een belangrijk omslagpunt in de geschiedenis van de bijbelse hermeneutiek. Dit komt door de volgende factoren, ten eerste de grote toename van uitvindingen en ontdekkingen en en ten tweede door de de boekdrukkunst en de overstap van het Latijn naar de volkstaal, waardoor het kennismonopolie van de kerk onder druk kwam te staan. Door de ontwikkelingen in de natuurwetenschappen veranderde ook het wereldbeeld van de mensen.

Door het verminderen van de machtspositie van de kerk, kwamen ook de waarheidsaanspraken van de bijbel onder druk te staan. Erasmus zorgde met zijn uitgave van het Griekse Nieuwe Testament dat de mensen de bijbel weer gingen bestuderen in de taal waarin het geschreven was. Erasmus streefde naar een theologie die van de bijbel uitging en zou bijdragen aan de vernieuwing van kerk en samenleving. Studie van de bijbel in de grondtalen had bij Luther tot een geloofsvernieuwing geleid en hij was tot de overtuiging gekomen dat de Schrift alleen de grondslag was voor het geloof. Dit leidde tot behoorlijke kritiek op de leer en praktijken van de Rooms Katholiek Kerk van die tijd.

Uiteraard leidde dit tot een breuk, omdat voor Luther het gezag van de Schrift hoger was dan dat van de kerk of traditie. Maar ook bij Luther vallen ‘Woord van God’ en ‘Heilige Schrift’ niet samen en ook komt hij nog niet helemaal los van het allegoriseren. Ook bij de reformatoren zien we ondanks hun pleidooi voor Sola Scriptura (Latijn: alleen de schrift, alleen de bijbel dus) en de nadruk op de letterlijke betekenis, ze geen garantie kunnen geven voor een eenduidige uitleg.

Calvijn gaat op een systematische wijze verder met een methode van bijbeluitleg, waarbij het Sola Scriptura de basis vormt voor zijn uitleg. Voor Calvijn was het belangrijk wat de auteur te zeggen had en niet wat de uitlegger dacht dat hij te zeggen had. De exegese mag niet beïnvloed worden door de eigen dogmatische vooringenomenheid. Voor Calvijn berustte het gezag van de bijbel niet op het leergezag van de kerk, maar wordt bewerkt door Gods Geest. Het beroep op de Geest is geen garantie voor de juiste uitleg en sluit ook de wetenschappelijke bestudering van de tekst niet uit.

De Schrift
Andere nieuwe bewegingen zijn de opkomst van het piëtisme en de ontwikkeling van de mechanische inspiratieleer. De leer van de Schrift wint aan belang en de Schrift zelf is de exclusieve norm voor de theologie. Het gevolg is dat God praktisch gezien alleen nog maar te kennen is via een tekst. De bijbel bevat niet alleen het Woord van God, zij is het Woord van God.

Het gezag van God wordt daarmee het gezag van de bijbel, waardoor de bijbel opnieuw weer een boek wordt voor ingewijden, namelijk de christenen die dit gezag ervaren en erkennen. Deze tendens zie je ook nog sterk in evangelische kring, de uitkomst van de exegese staat eigenlijk al vast, want de bijbel heeft altijd gelijk en spreekt zichzelf nooit tegen. Geloven in God heeft eigenlijk plaats gemaakt voor geloven in de bijbel, of zelfs een bepaalde interpretatie ervan.

De Verlichting zorgt voor een nog grotere verandering dan de reformatie heeft gedaan. Het wereldbeeld verandert opnieuw door nieuwe ontdekkingen en de toenemende wetenschappelijke revolutie. Het gebruik van de ratio wordt steeds belangrijker en de bijbel moet worden uitgelegd in overeenstemming met de menselijke rede.

Tijdens de verlichting ontstaat wat wij tegenwoordig vrijzinnigheid zouden noemen, het idee dat taal een projectie is van het menselijk denken en dat de bijbel ook zo gelezen moet worden. De bijbel bevat geen woorden meer van God, maar over God. De afstand tussen tekst en lezer, de hermeneutische kloof, wordt als een steeds groter probleem ervaren. Het kerkelijk leergezag werd nu vervangen door het leergezag van de wetenschappers, die nu alleen in staat zijn om de bijbel uit te leggen met hun wetenschappelijke methodes.

Tenslotte wordt Schleiermacher behandeld, die een grote rol wordt toegedicht door het feit dat hij de bijbelse hermeneutiek uit haar isolement heeft gehaald. Schleiermacher had een actieve en creatieve rol toebedacht aan de lezer. Schleiermacher neemt sterk afstand van het verlichtingsdenken en zoekt naar een synthese van de wetenschappen en het religieuze bewustzijn. Voor Schleiermacher is het uitleggen van teksten ook een kunst, naast het beheersen van de techniek.

Het verstaan van de bijbel gaat via de taal en dus kan iedereen hieraan deelnemen. Hij maakt van de bijbel weer een toegankelijk boek. Ook wordt de rol van de lezer bij hem belangrijker. Schleiermacher introduceert de hermeneutische cirkel, waarbij het geheel is te begrijpen door de afzonderlijke onderdelen te kennen en om te afzonderlijke onderdelen te kennen, moet men het geheel kennen.

De taak van de uitlegger is nooit af en geen enkele uitleg heeft het laatste woord. Tekst uitleggen is eigenlijk gewoon een gesprek voeren en  naar de anderen kunnen luisteren. Bijbeluitleg wordt zo een dialogisch model, zonder de zekerheid om het inhoudelijk eens te worden.

Dit was voor mij een verfrissend en inspirerend boek, die mijn kijk op de bijbel, maar vooral op de verschillende manieren van bijbeluitleggen door de eeuwen heen, behoorlijk heeft verrijkt. Zeker voor mensen met een conservatief, evangelische achtergrond (zoals ik), zal dit boek verrijkend en wellicht ook bevrijdend kunnen zijn.

Kritiek is er wel van conservatief reformatorische hoek, die Zwiep’s evangelische postmoderne insteek niet helemaal kunnen waarderen. Maar voor alle andere gelovigen, die meer uit de Bijbel willen halen, is hier een uitstekend boek die veel informatie te bieden heeft.

In dit boeiende boek wil Arie Zwiep, docent aan de CHE en de VU, een historische inleiding geven in de bijbelse hermeneutiek. Dit boek is het eerste deel, dat de periode van de eerste eeuw tot en met Schleiermacher (halverwege de negentiende eeuw) beslaat. Het tweede deel kan elk moment verschijnen en is gewijd aan de twintigste en eenentwintigste eeuw.

Arie Zwiep, Tussen tekst en lezer, Een historische inleiding in de bijbelse hermeneutiek
VU University Press, Amsterdam, 2009
ISBN 978 90 8659 342 2
453 pag. prijs  € 39,95

De echte woorden van Jezus?

Onlangs verscheen op VrijzinnigEvangelisch.nl een artikel over de uitgave van een aantal apocriefe Bijbelboeken. In de reacties werd met name het evangelie van Thomas aangevallen omdat het geen echt evangelie zou zijn. Het enkele feit dat dit evangelie niet in de canon terecht is gekomen is geen reden voor de conclusie dat het niet om een echt evangelie zou gaan.

Mark Peter van der Bijl

Het is goed om een aantal experts op dit gebied te raadplegen om te proberen dichter bij de waarheid te komen of meer nuance aan te kunnen brengen. In het boek(je) Het Evangelie van Thomas geven zes bekende Nederlandse theologen hun mening over de pas rond 1945 bij Nag Hammadi teruggevonden evangelie van Thomas. In dit manuscript staan 114 uitspraken (logia) van Jezus, waarvan de voorstanders zeggen dat dit een ander en beter (en zelfs een vroeger en dus betrouwbaarder) beeld geeft van Jezus en zijn leer.

Sommige tegenstanders noemen het al snel gnostisch van aard en verwerpen om die reden al (te) snel de inhoud. Persoonlijk vind ik elk geschrift wat uit de beginperiode van het christendom stamt de moeite waard om te bestuderen, omdat het iets zegt over de meningen en opvattingen van die tijd die mede het christelijk geloof hebben gevormd.

Het boek bevat niet de volledige tekst van het evangelie van Thomas, maar wel worden door de diverse auteurs een aantal uitspraken van Thomas geciteerd en besproken. Dat is op zich een manco, maar het doel van het boekje is om het belang en waarde van de inhoud te bespreken en tevens vast te stellen of het inderdaad om een gnostisch geschrift gaat, en zo ja hoe je dat kan bepalen.

Historische Jezus
Voormalig VU hoogleraar Tjitze Baarda gaat uitvoerig in op de vragen rond de datering van dit geschrift, of je objectief aan kunt tonen of het om de oorspronkelijke woorden van Jezus gaat of door de gnostische opvattingen uit die tijd in de mond van Jezus zijn gelegd. Ook bestrijdt Baarda diverse opvattingen van Jakob Slavenburg die als een van de grootste aanhangers van dit evangelie (en vergelijkbare literatuur) mag worden beschouwd. Baarda doet dit in mijn ogen op een objectieve en deskundige wijze.

Uiteindelijk komt Baarda op literaire en historische gronden niet tot een vroege datering, maar zegt dat zijn voorkeur (140-150 jaar na Christus) ook niet te bewijzen valt. Hij vindt het evangelie “een belangrijk historisch document, dat met grote zorg moet worden bestudeerd.” Baarda ziet in ‘Thomas’ een christelijke auteur die geboeid is door de gnosis en daarom een collectie van spreuken van Jezus aanlegde, die uit oudere bronnen afkomstig zouden kunnen zijn geweest. Hij verwerpt het idee dat we door dit geschrift dichter bij de historische Jezus zouden komen.

Gnostiek
Roelof van den Broek, voormalig hoogleraar Kerkgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht (UvA) gaat in op de vraag hoe gnostisch het evangelie van Thomas is. Het lastigste is om een goede definitie van gnostiek te geven of om dit in een tekst te herkennen. Van den Broek zou het liever een esoterisch geschrift noemen, een genre dat sommige kerkvaders zoals Origines en Clemens ook gebruikten. Esoterisch heeft voor Van den Broek te maken met geheime (diepere) kennis die alleen aan ingewijden bekend mocht worden gemaakt.

Deze stroming maakte deel uit van de vroege kerk, maar later zijn de accenten in de kerk verlegt naar een meer universeel toegankelijk boodschap. De conclusie van Van den Broek is dat we in het Evangelie van Thomas een van de varianten van het christendom van de tweede eeuw aantreffen. Daarin speelde de gnosis een grote rol, maar het was geen gnostiek in de strikte zin van het woord.”

Jan Helderman en Kees van der Kooi, beiden (emeritus) hoogleraar aan de VU, gaan nog wat dieper in op de vragen rondom de gnostiek en de relatie met het christelijk geloof en het ontstaan van de canon. Beiden zijn van orthodoxe achtergrond en kiezen mede om die reden voor de accentuering van de verschillen van dit evangelie met de traditionele christelijk leer met name waar het gaat om de verlossingsleer door Jezus. De gnosticus verlost zichzelf, terwijl de christen door Jezus verlost wordt. Dat is voor beide auteurs het belangrijkste verschil.

De woorden van Jezus
Ten slotte komt ook Jakob Slavenburg aan het woord. Hij is een groot kenner van de gnostiek en een belangrijk promotor van het evangelie van Thomas, welke hij ook in het Nederlands heeft vertaald. Slavenburg ziet niet de moderne esoterie als sektarisch, maar het christendom. Deze visie maakt hem ook niet objectief, zoals Baarda maar ook een aantal auteurs aangeven.

Slavenburg verwijt de christelijke kerk dat zij vanaf de vierde eeuw alle documenten heeft vernietigd die een niet-orthodoxe visie verkondigde. Dat zit natuurlijk een kern van waarheid in, maar de kerk zag het ook als haar taak om wat zij beschouwde als dwaalleraren te bestrijden. Dat deed ze vaak met grondigheid en gedrevenheid, zoals bijvoorbeeld ook de Montanisten hebben ervaren. Slavenburg erkent ook dat gnostiek en orthodoxie op het gebied van de verlossing een tegengestelde visie hebben.

Slavenburg is blij dat diverse geschriften de vernietigingsdrang van de kerk overleefd hebben. Hij ziet in het evangelie van Thomas een geschrift wat door zijn eenvoud dichter zit bij de echte woorden van Jezus dan de complexiteit van de latere theologie. Zijn argument is dat de synoptische evangeliën ook terug gaan op oudere bronnen zoals Q en afkomstig is van een onafhankelijke traditie. Uit dit geschrift komt een ander godsbeeld naar voren dat wat de klassieke theologie leert. Duidelijk is dat Slavenburg niet veel op heeft met het traditionele orthodoxe geloof, wat volgens hem ook ver weg staat van de eenvoud van de uitspraken van Jezus. De bijdrage van Slavenburg is eigenlijk te kort om zijn mening helemaal recht te doen.

Positief vindt ik in dit boek dat het Evangelie van Thomas van diverse kanten en standpunten wordt bekeken. Er wordt nadrukkelijk voor gewaakt om het om de verkeerde redenen af te kraken. Waar auteurs kritisch zijn, wordt dit duidelijk en zorgvuldig beargumenteerd. Dit boekje geeft daarmee een goed instappunt voor de vraagstukken die voor alle apocriefe documenten geldt.

evangelie van thomasHet Evangelie van Thomas
Red. J.H. de Wit
Uitgeverij Meinema 1999, ISBN 902113929
Prijs €19,90

Wij zijn ook katholiek

Ondanks de verrassende titel gaat dit boek over wat protestantse katholiciteit inhoudt. Katholiek is namelijk te vaak uitgelegd als niet-protestant. In dit boek wordt uitgebreid en m.i. overtuigend beschreven dat protestanten óók katholiek zijn. Maar liefst 25 auteurs van PKN huize beschrijven wat protestantse katholiciteit voor hen betekent voor kerk-zijn, geloven en leven.

Het woord katholiek wordt voor het eerst gebruikt door de kerkvader Ignatius (114 n. Chr.) en komt uiteindelijk terecht in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel (381). Ook komt zij terug in lid 1 van artikel 1 van de kerkorde van de PKN, waar staat “De Protestantse Kerk in Nederland is overeenkomstig haar belijden gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke kerk…” Elke kerk die zich verbonden weet met de wereldwijde kerk van alle eeuwen mag zich dus katholiek noemen volgens de auteurs.

Het gemeenschappelijke woord
Het boek bevat een twaalftal artikelen waarin door diverse theologen de aspecten van katholiciteit worden behandeld en vijftien portretten van protestants-katholieke theologen door de eeuwen heen. In één van de twaalf artikelen pleit Wim Reedijk voor een katholieke manier van Bijbellezen.

Dit houdt voor hem in dat het gemeenschappelijke beleefde Woord het primaat krijgt boven het individuele, dus dat de plaats van de Bijbel in de liturgie belangrijker is dan de bijbel thuis lezen en wat dat voor het individuele heil betekent. De verbondenheid met de traditie is ook belangrijk. Hiermee wordt voorkomen dat slechts één kerkinrichting, theologie of zegsman te dominant wordt. Een derde punt over het bijbellezen: de bijbel wordt geestelijk verstaan met Christus in het middelpunt. Dit kan gevolgen hebben voor de exegese.

Maarten Wisse beschrijft de katholiciteit vanuit de Nadere Reformatie en waarschuwt tegen de neiging van het protestantisme (vooral de conservatieve vleugel) om zich terug te trekken in hun eigen protestantse bolwerk. Voor Wisse is de uitdaging van het katholieke gelegen in de openheid naar God en de mensen toe, die er voor zorgen dat gesloten structuren, instituties en geloofsopvattingen worden opengebroken vanuit een nieuwe ontmoeting met de Heer, ingebed in de traditie. Katholiek zijn betekent een levende kerk van Jezus Christus te zijn.

Voor Bram van de Beek is katholiciteit een eigenschap van de kerk. De kerk is katholiek. Van de Beek betrekt dit op de relatie tussen de kerk en de cultuur. Een oude definitie (430) zegt: Katholiek is ‘wat overal, wat altijd en wat door allen geleerd is.’ Katholiciteit heeft dus oude wortels en overstijgt de reformatie. De waarheid van de kerk is voor Van de Beek niet exclusief, maar wel normatief. Er mag wel ruimte zijn voor contextualisatie, maar een terugkeer naar de katholiciteit zal de cultuur moeten overstijgen.

Portretten
Naast nog diverse andere interessante artikelen over katholiciteit, schetst het boek vijftien korte portretten van protestants-katholieke theologen, beginnend bij Luther, via Melanchton, Calvijn, Voetius, Bavinck, van Ruler tot Berkhof. Hierin wordt gekeken hoe in hun leven en geschriften vorm werd gegeven aan de katholiciteit binnen het protestantisme. Deze combinatie van afwisselende artikelen en de portretten maken dit tot een boeiend en leerzaam boek, in de eerst plaats voor protestanten, die te weinig beseffen dat ze ook katholiek zijn.

Evangelisch is ook katholiek
Het kan leerzaam zijn voor rooms-katholieken om te kijken of hun exclusieve waarheidsclaim op de kerk wellicht een belemmering voor eenheid kan zijn. Ten slotte kan het ook evangelischen helpen om beter na te denken wat kerk-zijn inhoud en wat hun bijdragen aan eenheid kan zijn en welke rol traditie daarin kan spelen.

Dit thema inspireerde ook drs. Jan Martijn Abrahamse, zelf van evangelische huize, om in zijn afstudeerscriptie (pdf) te onderzoeken of katholiciteit nog breder getrokken kan worden dan de PKN en kan gelden voor elke kerk, incl. de evangelische kerken. Voor Abrahamse wordt katholiciteit in de eerste plaats zichtbaar in de plaatselijke gemeente en vormt zij de basis naar openheid naar andere ‘katholieke’ kerken. (p.88) Voor Abrahamse is katholiciteit niet alleen actueel, maar ook urgent voor alle hedendaagse kerken. Deze scriptie vormt een goede aanvulling op dit boek. Ook dr. Henk Bakker komt tot een kritische, maar waardevolle aanvulling vanuit het standpunt van een baptist.

Wij zijn ook katholiek
Over protestantse katholiciteit
Dr. J. Kronenburg, dr. R. de Reuver (red.)
Uitgeverij Protestantse Pers – Heerenveen 2007, 311 blz.

 

Wij Zijn Ook Katholiek

Verfrissende kerk

Vernieuwing in de kerk kunnen we nooit alleen, zegt Mark Peter van der Bijl. Hij recenseerde het boek Mission Shaped Church, als vervolg op zijn vorige artikel over innovatie in de kerk. Volgens Mark Peter biedt het boek goede handvatten voor innovatie en voorspelt het ook waar vernieuwing toe leidt. Het belangrijkste nog is dat het boek volgens Van der Bijl ook mensen die van nature geen vernieuwer zijn enthousiast raken door dit boek.

Mark Peter van der Bijl

Fresh Expressions is de naam van een beweging in Engeland, met als doel het komen tot nieuwe uitingen van missie en kerk, inclusief het stichten van nieuwe gemeenten, maar dan op een manier die relevant is voor de mensen van vandaag. Omdat de maatschappij de laatste tientallen jaren enorm is veranderd, voldoet de huidige wijze van kerk zijn (als enige manier) volgens de initiatiefnemers niet meer. Andere manieren van kerk zijn en kerk doen, zijn volgens hen nodig. In het boek mission-shaped church wordt dit concept uitgebreid behandeld met een groot aantal voorbeelden van jeugddiensten tot café-kerken en bijeenkomsten zonder kerkgebouwen. Op de bijbehorende website berichten ze dat in de Church of Engeland (Anglicaanse Kerk) inmiddels al duizend ‘congregations of fresh expressions’ zijn begonnen, in de Methodistenkerk, die als partner in dit project meedoet, zou het om een zelfde aantal gaan.

Het boek mission-shaped church is geschreven door een werkgroep van de Church of England en als rapport aangeboden aan de kerk in 2004. Het bouwt voort op een vorig rapport Breaking New Ground: church planting in the Church of England uit 1994, waar het regelmatig uit citeert of naar verwijst. Ging het vorige rapport nog uit van het ‘parish principe’ als basis voor kerk zijn, inmiddels is dat idee losgelaten. Ook het boek New Wineskins (geschreven door David Pytches and Brian Skinner, Guildford: 1991) van twee Anglicaanse bisschoppen, pleitte voor het opheffen van de rigiditeit van dit systeem, maar de tijd was daar waarschijnlijk toen nog niet rijp voor.

Het kernwoord uit het boek (naast Fresh Expressions) is netwerk. Door sociologische en demografische redenen is de maatschappij een netwerk maatschappij geworden met een hogere mobiliteit dan ooit. De maatschappij is gefragmenteerd en de zondag is niet meer de vanzelfsprekende dag om een kerkdienst te houden. Ik denk zelf dat Engeland hierin wat voorloopt op Nederland. Het netwerk van mensen is er nauwelijks meer buurtgebonden, vandaar de noodzaak om de diverse bevolkingsgroepen te bereiken via hun andere netwerken. Daarom voldoet één standaard wijzen van kerk-zijn niet meer.

De uitdaging is dus ook om na te (blijven) denken wat het betekent om kerk te zijn en wat het doel van de kerk is. Nieuwe vormen en nieuwe manieren van kerk-zijn zijn nodig, maar ook nieuwe woorden die kerk-zijn beschrijven. ‘Fresh expressions’ is daarom de verzamelnaam van al die vormen, zowel de nieuwe als ook de meer traditionele vormen van kerk-planting. Van belang is ook om te ontdekken wat de doelgroep is die je wilt bereiken. Het boek onderscheidt (pagina 37) daarin de non-churched, de de-churched, de regular attenders en de fringe (de mensen aan de rand). Elke (doel)groep heeft zijn eigen aanpak nodig.

Het sterke aan het boek is dat het vele praktijkvoorbeelden geeft van de diverse vormen van ‘Fresh Expressions’, met het waarom en de wijze van aanpak. Het geeft daarbij ook de sterke en zwakke kanten aan van de gekozen aanpak. Een punt wat steeds terugkomt en wat name belangrijk is in de context van de Anglicaanse kerk, is het overleg en toestemming van de bisschop. Dit kan het proces wel vertragen, maar zal door de grondige voorbereiding (waarschijnlijk) meer kans van slagen hebben en geeft ook meer continuïteit bij leiderschapswisselingen. Dit geeft wat mij betreft een mooi voorbeeld voor de meer individualistische evangelische wereld, waar vaak alleen de persoonlijk ervaren leiding van God voldoende is om een nieuwe gemeente te starten.

Ook besteedt het boek een hoofdstuk over welke theologie en ecclesiologie een missionaire kerk moet hebben. Centraal staat het werk van Christus en de Geest, maar wat ook nodig is, is om dit evangelie te contextualizeren. Ook gebruikt het boek het woord ‘inculturation’ hiervoor vaak. Het belang wordt benadrukt dat het karakter en roeping van de kerk is, om één, heilig, katholiek en apostolisch te zijn, zoals al sinds Nicea beleden wordt.

De mogelijke methodologie wordt verduidelijkt door de drie kernvragen, who is the plant for?, who is the plant by? en who is the plant with? (p. 110-113),waarbij de plant de nieuw te starten gemeente is. Dit dwingt tot nadenken over een aantal essentiële vragen, die vele problemen later kunnen voorkomen. De laatste twee hoofdstukken geven een framework en aanbevelingen die zowel praktisch als leerzaam zijn. Als aandachtspunt wordt vooral het belang van (goed) leiderschap genoemd. De kwaliteit van het leiderschap heeft namelijk de grootste invloed op het resultaat wat beoogd wordt. Ook de combinatie van de pionier en het team en de samenstelling van het team worden besproken. Ik denk dat hier de grootste winst kan worden behaald, zowel bij de selectie als de training van leiders.

Ook de soms gespannen verhouding tussen (hoog) opgeleide professionals en ‘leken’ zal de nodige aandacht vragen. In de kerkorde van vooral de traditionelere kerken is niet altijd rekening gehouden met deze nieuwe ontwikkelingen. De grens tussen ‘lay’ en ‘ordained’ zal op den duur wel (moeten) vervagen en de opleidings- en trainingsbehoefte (en de invulling daarvan) zal op beide groepen van toepassing zijn. Hoewel ik van nature geen vernieuwer ben, ben ik toch erg enthousiast geraakt over dit boek en de concepten en mogelijkheden die in het boek worden beschreven. Vooral het idee dat gemeente stichten geen zaak van klonen is, maar kijken naar de mogelijkheden en behoeften die er zijn bij zowel de doelgroep als degenen die dit willen en kunnen gaan uitvoeren. Dit was voor mij een echte eye-opener.

Kortom, dit boek is een aanrader voor wie verder wil denken over vernieuwing en die ideeën en inspiratie kan gebruiken, maar vooral voor degenen die moeite hebben met vernieuwing en innovatie. Het biedt hen een kans om meer begrip te krijgen voor andere vormen van kerk-zijn en voor degenen die daar mee bezig zijn. Want vernieuwing is nodig en ook niet tegen te houden. Maar de manier waarop, daar hebben we elkaar voor nodig.

 

De kerk heeft innovatie nodig

Om de kerk ook voor de toekomst geloofwaardig maar vooral relevant te houden, moet de kerk veel meer dan nu het geval is innoveren. Dat zegt Mark Peter van der Bijl, hoewel hij onderschrijft dat het innovatieve klimaat verbeterd is. Daarbij moet de kerk wel oppassen niet de inhoud kwijt te raken.

Heeft de Kerk een toekomst?
De cultuur en maatschappij van Europa zijn de afgelopen jaren zodanig veranderd dat dit grote gevolgen heeft voor het denken, het geloof en de kerk. De kerk kan bij de ontwikkelingen niet zomaar achterblijven. De huidige tijd wordt vaak postmodern en post-christelijk genoemd, overal zijn de gevolgen van de doorgaan de secularisatie zichtbaar. Het christendom is niet meer vanzelfsprekend de bron van de cultuur, de maatschappij is aantoonbaar pluriformer geworden, met als gevolg dat nieuwe groepen bereikt moeten worden met het christelijk geloof, wil tenminste het de kerk haar relevantie behouden.

Deze nieuwe situatie brengt de nodige problemen en uitdagingen voor de kerk met zich mee. Geloofwaardigheid en een goede contextualisatie zijn nodig om de mensen van vandaag weer te bereiken. De kerk is nog steeds nodig vanwege de maatschappelijke en sociale waarde die ze vertegenwoordigt, maar dit is voor de huidige generatie Nederlanders niet meer vanzelfsprekend.

Is innovatie het antwoord?
Geloofwaardigheid en een goede contextualisatie zijn nodig om de mensen van vandaag weer te bereiken. De kerk is nodig vanwege de waarde die ze vertegenwoordigt, maar dit is niet meer vanzelfsprekend. Het antwoord voor deze problemen kan liggen in innovatie en vernieuwing.

Idee!
Eigenlijk is innovatie altijd nodig om te overleven en relevant te blijven. In kerktaal wordt dit semper reformanda genoemd. Maar onmiskenbaar is de kerk van nature nogal conservatief. Creatieve mensen, pioniers en veranderaars krijgen meestal te weinig speelruimte, maar tegenwoordig lijkt daar verandering in te komen. Innovatie moet ook meer zijn dan alleen cosmetische en uiterlijke aanpassingen. In andere woorden, niet de dingen beter doen, maar andere dingen doen.

Dit vraagt wel om een aantal voorwaarden, want innovatie is een zaak van de lange adem. Zo zullen vernieuwers wat verder van het (machts)centrum moeten zitten, waar de nadruk meer op stabiliteit ligt. Ze zullen als team van een samengestelde afkomst moeten zijn om elkaar aan te kunnen vullen, een hybride cultuur als het ware. Er zal een gezamenlijke uitdaging en gezamenlijke waarden moeten zijn om dit avontuur aan te gaan. Dit kan het beste gebeuren in innovatieve omgevingen, wat verder weg van het starre midden. Dit kan via programma’s ontwikkeld worden of via organische groei tot stand komen.

We herkennen drie soorten omgevingen waar innovatie beoefend kan worden, de eerste wordt ook wel een laboratoriumomgeving of vrijplaats genoemd. Hier is de grootste vrijheid om nieuwe dingen te beginnen, het liefst zonder teveel controle. Als de nadruk meer ligt op relaties ontwikkelen en samenwerken, spreken we van een broedplaats. Als laatste spreken we van een startplaats (of couveuse), waar vooral kennis wordt verzameld, maar ook weer wordt doorgegeven, bijvoorbeeld via onderwijsinstellingen zoals de J.H. Bavinck Leerstoel Churchplanting aan de VU.

Innovatie in het verleden
Innovatie lijkt wederom een moderne uitvinding, maar er zijn in de kerkgeschiedenis genoeg voorbeelden van geslaagde innovaties. Denk bijvoorbeeld aan de kloosterordes, maar ook de zendingsbeweging, begonnen als lekenbeweging, en de opkomst van de evangelische beweging in Nederland. Niet alle innovatie is succesvol geweest. Een goed niet-geslaagd voorbeeld is het DAWN principe (Discipling A Whole Nation, in Nederland bekend geworden als VisNed). Hierbij werd als doel gesteld om tegen het jaar 2000 een bepaald, vrij groot, aantal nieuwe kerken te hebben gestart. Dit was een concrete invulling van saturation planting. Helaas voor degenen die deze plannen bedachten zijn deze aantallen nooit gehaald en bovendien sloten er in dezelfde periode nog meer kerken hun deuren.

Oplossingen
Innovatie is heel breed is en daarom zullen er keuzes worden gemaakt. We zien op een aantal terreinen al dat er innovatieve ideeën op gaan komen. Deze kunnen we vinden op het terrein van nieuwe vormen van ecclesiologie (leer over hoe je kerk kan zijn), met minder nadruk op het eigen kerkgenootschap (post-denominalisme). Allerlei vormen van ‘emerging’ kerk zijn, dwingen wel om na te denken over wat een minimale ecclesiologie moet zijn (zie bijvoorbeeld de uitstekende MA-thesis van Teun van der Leer De kerk op haar smalst).

Het is erg gemakkelijk om bij nieuwe vormen ook een deel van de inhoud kwijt te raken. Ook worden vastgeroeste ideeën over ambt en leiderschap ter discussie gesteld, maar ook de ideeën over lidmaatschap, meerdere nationaliteiten in de kerk en omgaan met de nieuw sociale media die het internet biedt. Op al deze gebieden zien we dat vanuit de innovatie er andere oplossingen en mogelijkheden komen, die nodig zijn in een veranderende maatschappij waarin geloof niet langer vanzelf spreekt. Bij innovatie moet er voldoende ruimte zijn, worden gegeven, maar ook worden genomen, om hier mee aan de slag te gaan.