Israël en de kerk: één of twee volken van God?

Door Dr. Ds. M. Klaassen

De Heidelbergse catechismus doet in zondag 21 een opmerkelijk bewering: de Zoon van God vergadert zich een gemeente vanaf het begin der wereld tot aan het einde. Vanaf het begin van de wereld tot nu is er één volk van God. In het oude verbond is dat Israël, in het nieuwe verbond zijn dat joden en heidenen die in Christus geloven. Dat is een visie die niet alle christenen zo overnemen. Er zijn stromingen die een sterk onderscheid aanbrengen tussen de kerk en Israël. Dat gebeurt meestal onder invloed van het zgn. dispensationalisme, ook wel de bedelingenleer genoemd. Deze visie – die in de 19e eeuw ontstond en vanuit met name Amerika de wereld overgewaaid is –maakt een sterk onderscheid tussen Israël en de kerk. Er is niet één volk van God, maar twee volken van God. God gaat met elk Zijn eigen weg. Feitelijk hebben ze niets met elkaar te maken. Ik meen dat deze visie onjuist is.

Paulus gebruikt in de Romeinenbrief een verhelderend beeld: het beeld van de olijfboom (Rom. 11). Die olijfboom is het volk van God; de takken zijn de gelovigen. Eerst hoorden er alleen maar gelovige joden bij dat volk van God. Maar nu heeft God ook wilde takken ingelijfd: heidenen. Er zijn ook takken afgerukt: joden die Jezus niet als Messias erkennen. Gelukkig zal God Zich eens weer over deze afgevallen takken ontfermen. In elk geval: de boom bestaat nu uit gelovige joden en gelovige heidenen. Maar het is één boom.

Is de gemeente dan in de plaats van Israël gekomen?
Ja en nee. In de vervangingsgedachte heeft het etnische volk Israël afgedaan in het plan van God. Dat lijkt me onjuist. Ik geloof dat Israël nog steeds een plaats heeft in Gods hart. Israël is het volk van Gods eerste liefde – en ook in hun verwerping van het evangelie ‘geliefden vanwege de vaderen’ (Rom. 11: 28). Dat betekent dat God nog steeds een band heeft met het etnische Israël. Hoewel de kerk Israël niet vervangt, is het wel de vervulling van Israël. Die vervulling heeft alles te maken met Jezus. Want het is Jezus, de Zoon van God, die –als zoon van Israël – de roeping van het falende, ongehoorzame Israël – ook Zoon van God! (Ex. 4: 22) – op Zich neemt. Hij doet wat Israël had moeten doen. Hij is de vervulling en de belichaming van Israël. Dat betekent ook dat wie in Hem gelooft, deelt in Israël en de zegen van Israël. Wie in Hem gelooft naar wie Abraham verlangde (Joh. 8: 56) wordt ook een kind van Abraham, ook al woon je in Afrika en ben je geen jood: ‘…als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht’ (Gal. 3: 29). Oudtestamenticus Chris Wright schrijft: ‘…Gods volk Israël is uitgebreid (…) om mensen uit vreemde naties te omvatten die, voor zover ze in Christus zijn, nu ook gerekend worden als in Abraham.

Waarom?
Omdat Jezus de Christus is – de Messias, die het oudtestamentische Israël in Zijn eigen persoon belichaamt. Dus allen die in Hem zijn, zijn vanwege dat feit begrepen in het Israël van God in Christus’. Inderdaad: Paulus gaat zo ver dat hij in Galaten 6 de gemeente toespreekt als het ‘Israël van God’ (Gal. 6: 16). Dat is niet vreemd, maar past bij een breder patroon dat we in het Nieuwe Testament waarnemen: allerlei uitdrukkingen die in het OT op Israël van toepassing zijn, worden toegepast op de gemeente. Zo wordt de benaming ‘Koninkrijk van priesters, een heilige natie’ die God in Exodus 19: 6 aan Israël geeft, in de eerste Petrusbrief ook op de gemeente toegepast. ‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte, u die voorheen geen volk was, maar nu Gods volk bent… (1 Petr. 2: 9,10)’. En waar Israël in Numeri 16: 3 de ‘gemeente van de HEERE’ wordt genoemd, komen we dezelfde uitdrukking in het Nieuwe Testament tegen als het over de nieuwtestamentische gemeente gaat. Het heeft lang geduurd voordat ik met deze conclusies in kon stemmen, maar ik ben er langzamerhand steeds meer van overtuigd. Geen vervanging dus, wel vervulling en uitbreiding.

Bron: http://www.mklaassen.net/weblog/israel-en-de-kerk-een-twee-volken-van-god/

Advertisements

Revival volgens de Assemblies of God, een kritische reflectie

FROM THE GENERAL SUPERINTENDENT
From time to time, the General Council receives inquiries desiring comment on various revivals or ministries held in both Assemblies of God and non-Assemblies of God churches.

Rather than attempting to comment on any specific series of meetings, I feel it would be preferable to provide some scriptural guidelines for assessment. I have great confidence in the maturity of Assemblies of God pastors and laity to make their own judgments and heed the admonition of the apostle Paul: “Do not put out the Spirit’s fire; do not treat prophecies with contempt. Test everything. Hold on to the good. Avoid every kind of evil” (1 Thessalonians 5:19-22, NIV).

The Assemblies of God is irrevocably committed to the inspiration of Scripture, that the Bible provides the assessment tools needed for evaluating doctrine and experience, and is deeply hungry for the continued filling and empowerment of the Holy Spirit.

Our former general superintendent, Thomas F. Zimmerman, once compared the Holy Spirit to a mighty river, and the Scriptures to the banks of that river. Brother Zimmerman said that great harm occurs when the river overruns the banks, but that the river does great good when it stays within the banks.

Thus, it is well for us to look at the safeguards the Bible provides in helping us “test everything.” Here are the questions we should always ask.

1. Is Jesus Christ exalted? The purpose of the Holy Spirit is to testify about Christ, and to convict the world of sin, righteousness, and judgment to come (John 15:26; 16:8). To the Corinthian church that had become overly enamored with charismatic manifestations, the apostle Paul wrote “I resolved to know nothing while I was with you except Jesus Christ and him crucified” (1 Corinthians 2:2).

Thus, the focus for any lasting revival always must be on Jesus. The Holy Spirit has not come to glorify himself, or any human or angelic personality.

2. Is the Word of God proclaimed? Every revival with lasting effect has always been rooted in the preaching of God’s Word. This is in keeping with the spread of the gospel in the early Church as recorded in Acts.

• Following the first persecution, they “spoke the word of God boldly” (4:31).
• Following the second persecution and flogging, “day after day, in the temple courts and from house to house, they never stopped teaching and proclaiming the good news that Jesus is the Christ” (5:42).
• After the selection of deacons, “the word of God spread” (6:7).
• Resulting from Saul’s persecution of the church, “those who had been scattered preached the word wherever they went” (8:4).
• Samaria “accepted the word of God” (8:14).
• The Gentiles of Cornelius’ household “received the word of God” (11:1).
• Paul and Barnabas preached “the word of God” on their first missionary journey and “the word of the Lord spread through the whole region” (13:46,49).
• Before departing for their second missionary journey, Paul and Barnabas and many others “taught and preached the word of the Lord” at Antioch (15:35).
• The Holy Spirit kept Paul and Barnabas from “preaching the word in the province of Asia” (16:6).
• The Bereans “received the message with great eagerness and examined the Scriptures every day to see if what Paul said was true” (17:11); Paul “was preaching the word of God at Berea” (17:13).
• At Corinth, “Paul stayed for a year and a half, teaching them the word of God” (18:11).
• Through Paul’s ministry at Ephesus, “all the Jews and Greeks who lived in the province of Asia heard the word of the Lord” (19:10).
• Paul’s farewell words to the Ephesian elders are: “For I have not hesitated to proclaim to you the whole will of God” (20:27).

It is clear from the above references that great focus was given in the early Church to preaching the Word, sometimes also identified as proclaiming the gospel. This is consistent with the first commitment of the early Church following the day of Pentecost: “They devoted themselves to the apostles’ doctrine . . .” (Acts 2:42).

Thus, a doctrinal test for any revival is whether the content of the preaching is the same as Jesus and the Apostles. The Word of God stands over personal viewpoints. Any Biblical revival must “contend for the faith that was once for all entrusted to the saints” (Jude 3). If so-called truth is being proclaimed that cannot be found in Scripture, then that proclamation violates the specific announcement of Scripture that the faith “was once for all entrusted” and such a proclamation also deviates from the apostles’ fidelity to preach the Word, and from the early Church’s devotion to the apostles’ doctrine.

The Azusa Street Revival (1906-09) unabashedly proclaimed that the sure plumb line of truth was God’s revealed and written Word. Elder Seymour and others were criticized sharply for their insistence on “checking everything out with the Word.” But, they were unashamed. In fact, Seymour responded to these criticisms in the September 1907 issue of The Apostolic Faith.

”We are measuring everything by the Word, every experience must measure up with the Bible. Some say that is going too far, but if we have lived too close to the Word, we will settle that with the Lord when we meet Him in the air.

Miraculous manifestations are never the test of a true revival. Fidelity to God’s Word is the test. Jesus himself said there would be many who would do miracles in His name and even cast out demons, but He does not know them (Matthew 7:15-23). Jesus warned that “many false prophets will appear and deceive many people” (Matthew 24:11). Paul warns, “If anyone teaches false doctrines and does not agree to the sound instruction of our Lord Jesus Christ and to godly teaching, he is conceited and understands nothing” (1 Timothy 6:3). To the Galatians, Paul writes: “But even if we or an angel from heaven should preach a gospel other than the one we preached to you, let him be eternally condemned (Galatians 1:8). Paul also warns: “Do not let anyone who delights in false humility and the worship of angels disqualify you for the prize. Such a person goes into great detail about what he has seen, and his unspiritual mind puffs him up with idle notions. He has lost connection with the Head, from whom the whole body, supported and held together by its ligaments and sinews, grows as God causes it to grow” (Colossians 2:18,19). Peter warns that “there will be false teachers among you. They will secretly introduce destructive heresies. … Many will follow their shameful ways and will bring the way of truth into disrepute. In their greed these teachers will exploit you with stories they have made up.” (2 Peter 2:1-3).

In summary, the message must always be examined. If the message and the messenger line up with God’s Word, then the revival is on safe biblical ground and it should and must be embraced. If not, then even though miracles and manifestations occur, it should be avoided.

This raises the question of how can healings and miracles occur if the message and/or messenger are not consistent with Scripture. The attribution for the healings and miracles is the grace of God and His mercy for hurting people.

3. Are persons repenting of sin and being baptized in water and the Holy Spirit? Repentance has been called the first word of the gospel because it is the initial response called for by John the Baptist (Matthew 3:2), Jesus (Matthew 4:17), the Twelve (Mark 6:12), Jesus after His resurrection (Luke 24:47), Peter (Acts 2:38), and Paul (Acts 26:20). With repentance comes baptism in water and the overwhelming or baptism in the Holy Spirit (Acts 2:38,39).

Unless these initiatory events of the Christian life occur, along with the sanctifying work of the Spirit that leads to a holy life, then the miracles, crowds, and enthusiasm will quickly wane.

Of course, there are additional questions that can be raised, but my purpose is to give some starter reflections for those who have honest hearts to “test all things” as Paul admonished. If the above three questions cannot be answered with a resounding yes, then perhaps other questions are unnecessary.

The modern Pentecostal revival is now over 100 years old. Within that revival, there have been some significant centers of activity. For example, the Azusa Street Revival generated a missionary movement whose effects we still see today. The charismatic renewal brought refreshing both to Pentecostal and non-Pentecostal believers. However, there have also been some tornadoes that have brought destruction. In other words, there have been good winds and ill winds.
It is our responsibility to maintain a deep hunger for God and to keep our focus on the mission He has given us: to bring glory to God, to evangelize the lost, and to make disciples. We cannot do this on our own. We need the empowerment of the Holy Spirit along with the signs that follow those who believe.

Someone has said that revivals are like childbirth. They are messy, but you like the final result. Certainly, every revival has been marked by some elements that would be regarded as extreme. Dr. J. Edwin Orr, who studied and wrote more on the history of revivals than anyone else in Christian history, told me once that revivals are like a cabin on the Maine coast that has been shuttered up for the winter. When the winds begin to blow, the first thing that begins to make noise is all the loose hinges and shutters. And, that may well be the case. So we must be cautious at the initial onset of a revival to let some “loose hinges and shutters” have their freedom, but, ultimately, if the revival is to have enduring fruitfulness, it must be pastored carefully with doctrinal soundness, moral and financial accountability, and care to give publicity to Christ rather than to the revival.

The Azusa Street Revival had such enduring fruitfulness precisely because the three questions raised above can be well answered, both then and now: Christ was exalted, the Word of God was the plumb line, and people responded to the gospel with repentance and baptism in water and in the Spirit. And, like the early Church, they were full of the Holy Spirit and went everywhere to share the good news!

Let us keep the prayer of Habakkuk (3:2) in our hearts and on our lips:

Lord, I have heard of your fame;
I stand in awe of your deeds, O Lord.
Renew them in our day,
In our time make them known.

Your brother in Christ,
George O. Wood
with the concurrence of the Executive Presbytery of The General Council of The Assemblies of God

Bron: http://ag.org/top/General_Superintendent/Statement_on_Revival.cfm

NT Wright, Verrast door hoop Hoofdstuk 11 (samenvatting)Vagevuur, paradijs en hel.

1. Inleiding
Tot aan de zestiende eeuw dacht de meerderheid van de christelijke, westerse kerk dat de kerk uit drie delen bestond. Allereerst de triomferende kerk, die bestond uit de heiligen die al in de aanwezigheid van God waren gearriveerd. Deze heiligen hadden ook hun eigen feestdagen, Allerheiligen. Daar tegenover stond de strijdende kerk, de gemeenschap van gelovigen in dit huidige leven. Als laatste was daar de wachtende kerk, de gelovigen die wachten in het vagevuur, een ingewikkeld onderwerp.

2. Het vagevuur
Het vagevuur is een typisch Rooms Katholiek leerstuk. De ooster-orthodoxe kerk kent het niet en de kerken van de reformatie hebben het om Bijbelse en theologische gronden afgewezen. De belangrijkste uitspraken over het vagevuur komen van Thomas van Aquino en Dante in de dertiende en veertiende eeuw. In die periode is heel veel tijd en energie gestoken om dit leerstuk te ontwikkelen. In de kern komt het er op neer dat de meeste christenen tot aan hun dood in zekere mate zondig bleven en daarom zowel straf als zuivering nodig hadden. Door de gebeden en missen van de strijdende kerk, maar vooral door aflaten, waartegen Luther zich zo verzette, kon de periode in het vagevuur aanzienlijk verkort worden. De laatste jaren hebben de RK theologen Karl Rahner en kardinaal Ratzinger (de vorige paus Benedictus XVI) geprobeerd om dit leerstuk te moderniseren of af te zwakken. Aan de andere kant signaleert Wright met name in de Anglicaanse kerk, maar ook door de invloed van het universalisme, een trend die inhoudt dat we eigenlijk nog niet klaar zijn voor de eeuwigheid. Na onze dood zullen we nog een ‘reis’ moeten maken die ons uiteindelijk bij God brengt. Zo kom je uit op een soort vagevuur voor iedereen. Het is niet erg plezierig, maar ook geen straf.

Wright plaatst hier vier kanttekeningen bij voor ons om ons goed te realiseren.

Ten eerste ligt de opstanding nog in de toekomst. Dit wordt door alle christelijke kerken geleerd. Het gebruik van het woord ‘hemel’ voor onze uiteindelijke bestemming is eigenlijk misleidend. Onze uiteindelijke bestemming is om opgewekt te worden met een nieuw, verheerlijkt lichaam naar de gelijkenis van Jezus Christus. De opstanding is niet hetzelfde als ‘het leven na de dood’, het is het leven na het ‘leven na de dood’.

Ten tweede geeft het Nieuwe Testament niet aan dat er onderscheid is tussen de gelovigen die wachten op de definitieve opstanding. Alle christenen worden ‘heiligen’ genoemd. Het enige onderscheid waar we van lezen is in 1 Kor. 3 waar er christelijke werkers zijn die met goud, zilver en edelstenen hebben gebouwd, tegenover degenen die dit deden met hout, hooi en stro. Maar beide groepen zijn gered en wachten op dezelfde bestemming. Ook lezen we dat de eersten die de laatsten zullen zijn, maar niets over een onderscheid in de toestand waarin gelovigen zullen verkeren na hun dood. Kortom, alle gelovigen, levend en dood, worden ‘heiligen’ genoemd en alle gestorven gelovigen worden als zodanig gezien en behandeld.

Ten derde gelooft Wright daarom niet in het vagevuur als een plek, een tijd of een toestand. Het is zo wie zo een westerse uitvinding van latere datum, zonder enige ondersteuning vanuit de Bijbel. Zelfs Rooms Katholieke theologen trekken het tegenwoordig in twijfel. De dood zelf vernietigt alles wat zondig is, dat is geen magie, maar gezonde theologie. Daarna valt er niets meer te zuiveren. Ook is er geen straf meer voor een christen volgens Rom. 8:1 en 8:38-39. Zo komt Wright tot de conclusie dat Paulus bedoelt dat het huidige leven als een soort vagevuur functioneert. De mythe van het vagevuur ziet hij als een allegorie, een projectie van het heden op de toekomst. Daarom spreekt het vagevuur zo tot de verbeelding.

3. Het paradijs
Het vierde punt is dat alle overleden christenen in dezelfde toestand verkeren, die van een rustgevende vorm van geluk. Dit zou je als een soort ‘slaap’ kunnen omschrijven, maar niet als een vorm van onbewustheid. Zoals eerder gezegd is dit niet de definitieve toestand van een christen. Wright beschrijft deze periode als een toestand waarin de gestorvenen stevig worden vastgehouden in de bewuste liefde van God en de bewuste aanwezigheid van Jezus Christus. Je zou dit ‘hemel’ kunnen noemen, maar het Nieuwe Testament gebruikt het woord ‘hemel’ op een andere manier. Omdat zowel de overleden heiligen als wijzelf in Christus zijn, delen wij met hen in de ‘gemeenschap der heiligen’. Volgens Wright kunnen we dan ook voor hen en met hen bidden. Niet zoals in de Middeleeuwen gebeurde om hen zo snel mogelijk het vagevuur uit te bidden, maar uit liefde, om hen in liefde voor God te brengen. De Bijbel zegt nergens dat de overledenen ook voor ons bidden. Ook moeten wij niet tot hen bidden. Wright noemt het aanroepen van de heiligen in feite een stap terug naar het heidendom waar de reformatoren zo tegen waarschuwden. Het hele idee van heiligenverering is begonnen bij het respect wat men voor de gestorven martelaren had in de vroege kerk. Later werd iedereen vereerd die zich op een of andere manier had onderscheiden als christen. Wright noemt dit één grote oefening in zinloosheid. Dus voor Wright bestaat de ‘triomferende kerk’ bestaande uit alleen de heiligen in de hemel niet. De wachtende en strijdende wel. Zijn oproep aan alle kerken is dan ook om regelmatig bezig te zijn met de vraag naar wat er onmiddellijk na het sterven gebeurt, alsook naar onze uiteindelijke bestemming. Vooral moeten we de centrale hoop van de uiteindelijke opstanding begrijpen.

4. De hoop voorbij, het medelijden voorbij
In wezen gaat het hier om de vraag ‘en hoe zit het nu met de hel?’. Over die vraag kan wel een heel boek worden geschreven. Een deel van het probleem is ook hier dat het woord ‘hel’ meteen weer een bepaald beeld oproept dat sterker is bepaald door de Middeleeuwen dan door de Bijbel of de vroege kerk. Veel mensen zijn opgegroeid met het idee dat de hel een letterlijke plek onder de grond is die gevuld is met wormen en vuur, of als een soort martelkamer. Veel mensen besluiten later dat ze niet meer in een dergelijk kinderachtig beeld kunnen geloven en worden atheïst of universalist. Wright denkt dat er betere redenen zijn om atheïst te worden dan te geloven in een platte karikatuur. Beter is te kijken wat de Bijbel zegt over het woord ‘hel’. In het Nieuwe Testament is het meest gebruikte woord dat met ‘hel’ wordt vertaald gehenna. Gehenna was niet zomaar een idee, maar een bestaande plek, een vuilnisbelt aan de zuidwest kant van Jeruzalem. Deze plek is daar nog steeds onder de naam van het dal van Ge Hinnom. Jezus verwees naar de smeulende vuren van die plek als hij het over Gehenna had. (Matt. 23:33). (Zie appendix 1 van het boekje van Henk Rothuizen over alle ‘hel’ teksten in het Nieuwe Testament. Hier zie je dat het wel degelijk uitmaakt welke Bijbelvertaling je gebruikt!) Veel van deze teksten lijken er mee te maken te hebben dat je gedrag dat je nu op aarde mee bezig houdt, er wel degelijk toe doet. Wel zijn er twee gelijkenissen in de Bijbel die wel lijken te suggereren dat er in het hiernamaals een brandend vuur als straft wacht. (Luc. 12:35-59; 16:19-31). Ten eerste zijn het gelijkenissen en geen feitelijke omschrijvingen van het leven na de dood. En ten tweede gaat de gedeelten over hoe je moet leven en gerechtigheid en genade moet tonen aan je medemens. Jezus heeft gewoon niet erg veel over het ‘leven na de dood’ gesproken. Zijn primaire taak was ook om te verkondigen dat het koninkrijk van God ‘op aarde zoals in de hemel’ zou komen. Jezus leerde geen nieuwe dingen over het hiernamaals en bleef dicht bij de Joodse gedachten hierover.

Wel vertelt Jezus een verrassend verhaal over het scheiden van de schapen en de bokken in Matt. 25:31-46. Ook hier gaat alles weer over gedrag in dit leven en kan de laatste zin een aanwijzing zijn van het belang daarvan.

De hel en/of het laatste oordeel zijn ook in de brieven niet prominent aanwezig (behalve Rom. 2:1-16), in Handelingen wordt het helemaal niet genoemd, blijft over de levendige beelden uit het boek Openbaring, maar die zijn weer het moeilijkst met zekerheid uit te leggen. Dit moet ons waarschuwen zowel tegen degenen die zeker weten wie naar de hel gaan (bijvoorbeeld door bepaald gedrag), alsook degenen die zeker weten dat een dergelijke plek niet bestaat, of als hij bestaat, leeg is. Deze laatste vorm van universalisme was lange tijd populair onder vrijzinnige theologen. Maar de laatste 20 jaar is het theologische vrijzinnigheid op z’n retour volgens Wright omdat het teveel stoelde op het menselijke optimisme van de Westerse samenleving. Door de toename van oorlogen en andere grote wereldproblemen is de noodzaak en besef van een oordeel weer toegenomen. Het kwaad moet veroordeeld worden, dit is het enige alternatief voor chaos.

God is vast van plan om alles in de wereld uiteindelijk recht te zetten. Dit leerstuk wordt, net als dat van de opstanding zelf, stevig op zijn plaats gehouden door het geloof in God de schepper aan de ene, en het geloof in Gods goedheid aan de andere kant. En dat rechtzetten van God houdt onvermijdelijk in het elimineren van alles wat Gods goede en heerlijke schepping vervormt, en in het bijzonder van alles wat de mensen als zijn beelddragers schendt en bekladt. Dit kunnen grote maatschappelijke problemen zijn zoals volkenmoord, kinderprostitutie, rassendiscriminatie. Ook het Nieuwe Testament kent dergelijke lijstjes, die functioneert als een stoplicht dat waarschuwt voor een weg die recht op een afgrond zonder hek afgaat. Volgens Wright komt dit voort uit drie dingen. Ten eerste de oerzonde van afgoderij om dingen te aanbidden dat niet God is. Ten tweede vertonen ze allemaal de kenmerken van de zonde die daarvan het gevolg is, namelijk het falen om Gods beeld volledig te weerspiegelen. De Bijbel gebruikt hiervoor het woord hamartia (zonde). Zonde is dus meer dan het breken van willekeurige regels. Ten derde, als deze twee genoemde zaken zich voorzetten in mensen of groepen mensen, zij meewerken aan hun eigen ontmenselijking.

Hiermee hebben we volgens Wright de kern te pakken van de manier waarop we de leer van het laatste oordeel in onze tijd kunnen herformuleren. Als Wright zowel de krant als het Nieuwe Testament leest, kan hij zich niet voorstellen dat er geen uiteindelijke veroordeling zal zijn. Hoe dat in de praktijk zal werken, daar lopen de meningen uiteen. Er zijn doorgaans drie opvattingen.

Ten eerste het traditionele standpunt dat iedereen die Gods verlossing afwijst, in een eeuwige marteling terecht komt, waar ze zich ook van bewust zijn. Dit is een eindeloze straf.

Het tweede standpunt is het universalisme (vaak alverzoening genoemd), die zegt dat God aan iedereen genade zal betonen of dat God de mensen in het hiernamaals nog een keer de kans geeft om voor hem te kiezen berouw te tonen, totdat iedereen uiteindelijk aan het aanbod van Gods liefde heeft toegegeven.

Een derde variant is een tussenweg van ‘voorwaardelijke onsterfelijkheid’, namelijk wie Gods liefde afwijst in dit leven, houdt gewoon op te bestaan. Dit zou kunnen omdat onsterfelijkheid geen ingeboren eigenschap van mensen is. Dit wordt ook wel ‘annihilationisme’ genoemd. Hierbij worden mensen niet actief vernietigd, maar dit gebeurd omdat ze weigeren het geschenk aan te nemen dat hun wordt voorgehouden en dat zij structureel afwijzen.

Wright komt nog met een vierde visie die hij zelf aanhangt en de goede punten van bovenstaande probeert te combineren. Henk Rothuizen noemt dit ‘verdamping’(p.33) in zijn boek Exit. Het komt er op neer dat de mensen door zijn verkeerde keuzes over een langere termijn een wezen wordt dat ooit mens was, maar dat niet langer is. Hij is een schepsel geworden dat Gods beeld in geen enkel opzicht meer weerspiegelt.

Uiteindelijk bekent Wright dat we het hier hebben over een van de meest duistere theologische thema’s. Zijn conclusie is dat deze wereld de goede schepping is van de ware God en dat Hij uiteindelijk het oordeel zal vellen waarover de hele schepping zich zal verheugen.

5. Conclusie: menselijke doelen en de nieuwe schepping
Er komt uiteindelijk een eindoordeel voor ‘diegenen die zich laten leiden door onrecht.’ (Rom. 2:8). Ook spreekt Openbaring 21 en 22 van een categorie mensen die ‘buiten’ zullen zijn. Maar ook lezen we in Openb. 22:2 over een boom, waarvan de bladeren genezing aan de volken zullen brengen. Dit betekent dat God altijd een God van verassingen zal zijn. De uiteindelijke vraag draait dan ook niet om de ‘hemel en de hel’. Ook niet de vraag wat er met mij gebeurd als ik sterf.

De belangrijke, centrale, allesbepalende vraag is naar Gods doel en plan om de hele wereld, de hele kosmos te redden en te herscheppen. Onze eigen, individuele bestemming is ter sprake gekomen, omdat het deel uitmaakt van een veel groter verhaal en dat we binnen dat verhaal een wezenlijke rol kunnen spelen.

Op welke manier zal Gods nieuwe schepping tot stand komen? Op welke manier kunnen wij mensen een bijdrage leveren aan de vernieuwing van de schepping? Dus niet hoe komen wij in de hemel, maar hoe kan God door middel van de mensen zijn schepping gaan verlossen en vernieuwen en hoe hij als onderdeel daarvan ook mensen zelf gaat redden. De uitdaging is om het Nieuwe Testament in het licht van deze vragen te lezen en dan komen we bij de vraag naar de missie van de kerk. Daarover gaan de laatste vier hoofdstukken van het boek van Wright.

 

Verrast door hoop

https://www.bol.com/nl/p/verrast-door-hoop/1001004006923117/

 

 

 

 

Vier manieren om Openbaring uit te leggen.

Regarding an approach to interpreting the book of Revelation, Luther said, “Everyone thinks of the book whatever his spirit imparts!” There are four basic schools of interpretation, however.

1) Preterist/Contemporary-Historical—this school states that the author was writing about the first century Church’s clash with Rome (the beast of Revelation 13). According to the preterists, John has “nothing more in mind than [the first century  Church’s] situation.”  “The Church was threatened with practical extinction in the face of impending persecution, and John wrote to confirm the faith of believers that even though terrible persecution was at the door, God would intervene, Christ would return, Rome would be destroyed and the kingdom of God shortly established.” Faced with the reality that this did not happen, the preterists hold that such is unimportant. The book served its purpose in strengthening and encouraging the first-century Church.

2) Historistic/Continuous-Historical—this school states that the book is an inspired forecast of the whole of human and Church history, especially the history of Western Europe and its Church from the first century to the Second Coming. Quite often in this school of thought, the Roman papacy is the beast and the Roman Catholic Church the false prophet (Revelation 12). One of the many problems with this school is that it claims Revelation is about the European Church, when it was in fact originally written to Asian churches.

3) Idealist/Symbolic—this school states that Revelation has relatively few references to specific events or persons in history. Rather, it is a symbolic portrayal of the spiritual conflict which exists between the kingdom of God and the kingdom of Satan. The beast, for example, is satanic evil rather than any specific person—past, present or future. “It simply sets out principles on which God acts throughout human history.” Whereas apocalyptic literature was a symbolic genre, the difficulty with this school is it fails to remember that apocalyptic also concerned itself with specific end times historical events.

4) Futurist—this school sees Revelation as largely a prophetic forecast of history, especially as it concerns the Church in this Age. The seven letters were addressed to seven historical churches; the seals represent the forces of history (however long they may last), used by God to work out His plan of salvation. Beginning with either Revelation 8 or 16 (scholars vary), the events pertain exclusively to God’s final will for human history, the Millennium and the Age to Come.

voetnoot: Dispensationalism is a sub-unit of the futurist school, sometimes termed the extreme futurist view. Dispensationalism opts for a literal interpretation of all biblical prophecy (except in cases where symbolism is obvious). “The seven letters are seen as seven successive ages of Church history symbolically portrayed. The character of the seven churches depicts the chief characteristics of the seven periods of Church history, the last of which will be a period of decline and apostasy (Laodicea). The rapture of John (4:1) symbolizes the rapture of the Church at the end of the age. Chapters 6-18 depict the period of the Great Tribulation– the last short but terrible period of Church history when the Antichrist will all but destroy God’s people. In the dispensational view, God’s people are Israel, restored to Jerusalem, protected by a divine sealing (7:1-8), with a rebuilt temple (11:1-3), who suffer the wrath of Antichrist. The Church is no longer on earth, for it has been caught up to be with the Lord in the air” (George Ladd, op. cit., pg. 12). In dispensationalism, the Millennium is the time when a Jewish theocracy, with the Temple, the sacrificial system, and the Law of Moses, is restored and the Old Testament prophecies concerning Israel’s future political triumph over the Gentiles are literally and physically fulfilled.


Bron: Gary Matsdorf, Revelation Commentary

http://www.amazon.com/What-must-soon-take-place/dp/0962812757

 

NT Wright, Verrast door hoop Hoofdstuk 10 (samenvatting) De verlossing van het lichaam

1. Inleiding
Zowel in de kerk als onder niet-christenen heerst verwarring over de bestemming van de gestorvenen, maar ook wat christenen op dit punt moeten geloven. Volgens Wright is dat niet nodig omdat de Bijbel absoluut helder is over dit onderwerp. Paulus spreekt in Rom. 8:23 over de ‘verlossing van ons sterfelijk bestaan.’ Wright zegt dan ook dat er geen enkele twijfel kan bestaan wat Paulus hier bedoelde: Gods kinderen hebben de belofte van een nieuw soort fysiek bestaan, dat de vervulling en verlossing van ons huidige lichaam is. In de vroeg christelijke kerk werd hier ook over geschreven, in latere eeuwen werd dit steeds minder en werd het verzwegen of verdraaid.

De stelling van Wright is dat het traditionele beeld van mensen die na de dood op reis gaan of naar de hemel of naar de hel, een ernstige vervorming en afzwakking van de christelijke hoop is. De lichamelijke opstanding is niet een losstaand stukje van die hoop. Het is juist het element dat Gods uiteindelijke plan vorm en betekenis geeft. We kunnen het dus niet weglaten of naar de marge verschuiven. We moeten beginnen om te kijken wat de Bijbel over de opstanding zegt en pas van daaruit over de hemel praten. Daarna kunnen we ook praten over hoe we nu in deze wereld leven (zie les 12)

2. De opstanding: het leven na ‘het leven na de dood’
Zowel als in het Griek-Romeinse heidendom als in het Jodendom bestonden verschillende ideeën over het leven na de dood, maar in de vroege kerk was de mening hierover gelijkgestemd en in lijn met de opvatting van Paulus. Bijvoorbeeld in Fil. 3:20-21, waar staat dat Jezus uit de hemel zal komen om ons huidige armzalige lichaam te veranderen in een heerlijk lichaam als het zijne. Dit vormt in een notendom hoe Paulus over dit onderwerp denkt. De opgestane Jezus is zowel model voor het toekomstige lichaam van de christen, als het middel waardoor dit tot stand komt. Ook Kol. 3:1-4 spreekt zich in vergelijkbare termen uit. ”En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met hem, in luister verschijnen.” Nog duidelijker is Rom. 8:9-11 “Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus heeft opgewekt, ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft.” God geeft het leven niet aan een ziel zonder lichaam, maar aan een sterfelijk lichaam. Ook Johannes laat zich in vergelijkbare termen uit. In 1 John. 3:1-3 lezen we “maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan we zien we hem zoals hij is.” Het opstandingslichaam van Christus in al zijn heerlijkheid en macht, is nog nauwelijks voor te stellen voor ons en dat zal model staan voor ons. Ook spreekt Jezus zich duidelijk uit over het moment van de opstanding. Joh. 5:25-29 “er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen en uit hun graf zullen komen: wie het goede heeft gedaan staat op om te leven, wie het slechte heeft gedaan staat op om veroordeeld te worden.” Ook in het OT vinden we vergelijkbare teksten zoals in Dan. 12:2, Jes. 26:19 en Eze. 37.

In Joh. 14:2 lezen we dat Jezus zegt dat er in het huis van zijn Vader vele woningen zijn. Velen zien dat als onze eindbestemming, maar Wright geeft aan dat het Griekse woord voor kamers (monai), juist duidt op een tijdelijke halte op de reis die je uiteindelijk heel ergens anders brengt. Zo moeten we ook de woorden van Jezus aan het kruis interpreteren als hij zegt “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.” (Luk. 23:43). Paradijs betekent op vele plaatsen niet een uiteindelijke bestemming, maar een zalige tuin waar de doden mogen wachten op de dageraad van de nieuwe dag. Uiteraard volgt er nog een vervolmaking in de toekomst, waar de uiteindelijke opstanding een deel van zal zijn. Voor Lucas was het duidelijk dat het paradijs een tussenfase was, die dezelfde dag nog werkelijkheid zou worden, dus nog voor de opstanding (van Jezus) plaats zou vinden. Met Jezus komt de hoop voor de toekomst vandaag al naar ons toe.

Opstanding betekent niet ‘leven na de dood’. Het was een uitdrukking voor het nieuwe lichamelijke leven na het bestaan dat je onmiddellijk na je dood kent. Met andere woorden, het is het leven na het ‘leven na de dood’.

Wat moeten we met teksten zoals in 1 Petr. 1:4-5 waar staat dat ‘in de hemel een onvergankelijke, ongerepte erfenis wacht, de redding die aan het eind van de tijd zeker geopenbaard zal worden.’ Te snel denken dat dat we naar de hemel gaan om onze redding in ontvangst te nemen of daar te blijven. Daarmee gaan we ook andere Bijbelteksten verkeerd lezen die over de hemel gaan. Volgens Wright is het woord ‘hemel’ gewoon een eerbiedige manier om iets over God te zeggen, zodat een ‘schat in de hemel’ betekent ‘een schat in Gods nabijheid’ zoals ook uit andere teksten blijkt (Mat. 6:20, 19:21, Luk. 12:21, 1 Tim. 6:19). Daarmee betekent ‘hemel’ de plek waar God zijn bedoeling voor de toekomst bewaart. Maar niet de plek waar wij naar toe moeten gaan om van te genieten. Het is de plek waar het veilig opgeborgen blijft tot de dag waarop ze op aarde werkelijkheid worden. Gods toekomstige erfenis, de onvergankelijke nieuwe wereld en onze nieuwe lichamen worden voor ons bewaard, totdat ze in deze wereld, d.w.z. de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de vernieuwde wereld, in gebruik genomen kunnen worden.

Ter aanvulling, het woord ziel (psyche) wordt in de Bijbel nooit gebruikt voor dat ‘stukje dat gered wordt’. Het slaat meer op ons als persoon of persoonlijkheid. We zijn al gered en op een dag zullen we die redding in complete fysieke vorm ontvangen.

3. De opstanding in Korinte
Voor de studie naar de opstanding kun je niet om Paulus heen. Die worden voornamelijk beschreven in 1 Kor. 15 en 2 Kor. 4 en 5. Wright geeft aan dat deze gedeelten lastig zijn en dat de meningen erover verdeeld zijn. In andere boeken van hem gaat hij er dieper op in en behandeld hier de hoofdlijnen. In 2 Kor. 4:7 zegt Paulus “Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat”. Uit hoofdstuk 4 zou je de conclusie kunnen trekken dat Paulus neerkijkt op het lichamelijke en dat het alleen om het geestelijke gaat. Zoals in 4:16 “Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd.” Toch heeft Paulus het in hoofdstuk 5 over een ‘tent’ die voor ons klaar ligt, een nieuwe woning, een nieuw lichaam die in Gods sfeer (hemel) voor ons klaarligt en over ons huidige lichaam wordt aangetrokken (5:4).

De fout die we maken in ons Westerse denken is dat het stoffelijke tijdelijk is en (alleen) het niet-stoffelijke eeuwig. Dat is bij Paulus niet het geval. Zijn denken gaat uit van de Joodse theologie van de schepping, en bouwt daarop een theologie van een nieuwe schepping. “Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuw schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.” (2 Kor. 5:17). Er komt een nieuw soort lichamelijkheid, die echter, vaster en lichamelijker is dan ons huidige lichaam. Ons huidige leven is volgens Paulus maar een schaduw van onze toekomstige ik, de persoon die we zullen zijn wanneer God het lichaam dat in de hemel voor ons klaar ligt, tevoorschijn haalt en over ons huidige lichaam heen trekt. Paulus maakt duidelijk dat we dit nog niet bereikt hebben. Voor het laatste oordeel voor de troon voor God (5:10) hebben we ook een lichaam nodig. Zie ook andere teksten zoals Daniël 12:2. Wellicht geldt dit zowel voor gelovigen als ongelovigen.

Het hart van de Nieuwtestamentische visie op de opstanding vinden we in 1 Kor. 15. De hoop van de opstanding vinden we door de hele brief heen. In de gemeente in Korinte waren er gelovigen die de opstanding ontkenden. (15:12) Vandaar dat Paulus begint met de opstanding van Christus als eersteling, en vervolgens dat dit ook voor de gelovigen geldt (15:22). Hoofdstuk 15 van de eerste Korintebrief vormt volgens Wright één grote echo van Genesis 1-3. Het bevat een theologie van een nieuw schepping, geen achterlaten van de oude schepping. Het hart van dit hoofdstuk is het uiteenzetten van de twee verschillende soorten lichamen, het huidige en het toekomstige. Door een verkeerde vertaling in de NBG (en wellicht ook andere vertalingen) lijkt het alsof Paulus het ‘aardse lichaam’ stelt tegenover het ‘geestelijke lichaam’. (15:44). Dit is geen correcte vertaling van de Griekse woorden. Het gaat namelijk om de tegenstelling tussen het huidige vergankelijke lichaam wat gaat sterven en het toekomstige onvergankelijke lichaam wat niet kan sterven. Dus niet het stoffelijke tegenover het niet-stoffelijke. De woorden die Paulus gebruikt zijn ‘psychikos’ en ‘pneumatos’. Dit zegt niets over het materiaal waar de dingen van gemaakt zijn, maar van de kracht of energie die de dingen in beweging zet. Ons huidige lichaam wordt geanimeerd door de psyche (de menselijke levenskracht), de uiteindelijk machteloos is tegen ziekte en de dood. In het toekomstige leven is Gods pneuma de motor, Gods levensadem, de krachtgevende energie van Gods nieuwe schepping. Vandaar dat ‘wat uit vlees en bloed bestaat geen deel kan hebben aan Gods koninkrijk’(15:50). Vlees en bloed betekent hier niet stoffelijk, maar tijdelijk. Daarmee gaat de echte tegenstelling tussen vergankelijke lichamelijkheid en onvergankelijke lichamelijkheid. Vandaar dat Paulus zegt in vers 15:58 ‘dat onze inspanningen nooit tevergeefs zijn.

Wright zegt: Het geloof in de opstanding van het lichaam omvat het geloof dat wat hier en nu in de kracht van de Geest in het lichaam gedaan wordt, in de uiteindelijke toekomst bevestigd zal worden op een manier waarnaar we nu alleen nog maar kunnen raden.

4. De opstanding: de latere debatten
Tot plusminus 200 n. Chr. hielden alle kerkvaders zich nog vast aan het leerstuk van de lichamelijke opstanding. Bovendien koppelden zij dit aan het leerstuk van de schepping en aan de leer van Gods rechtvaardigheid en uiteindelijke oordeel. Volgens Wright is de opstanding (net als in het Jodendom) het punt waar schepping en oordeel elkaar snijden. Vanaf Tertullianus (plusminus 200 n. Chr.) komen er allerlei vragen op naar de consequenties van de opstanding van het lichaam. Bijvoorbeeld de vraag wat er gebeurd als een kannibaal een christen opeet. Wie zal dan bij de opstanding welke stukken hebben? Ook Origines, Thomas van Aquina proberen deze vragen te beantwoorden. Omdat de mens qua lichaam steeds veranderd, zijn we fysiek steeds anders. Ondanks dat is er een zekere continuïteit. We zijn stof en tot stof zullen we terugkeren. Maar God kan met stof nieuwe dingen doen. Een klein deel van de theologen in de Middeleeuwen hield vast aan de leer van de lichamelijke opstanding. Een groot deel ging echter een andere kant op, waarbij ook het vagevuur als een soort tussenfase werd geïntroduceerd.

5. Herbezinning op de opstanding voor vandaag: wie, waar, wat, waarom, wanneer en hoe
Wie worden er uit de dood opgewekt?
Iedereen volgens Johannes en wellicht ook Paulus. Bij Paulus is er in ieder geval sprake van een speciale betekenis van de opstanding voor christenen.
Waar zal de opstanding plaatsvinden?
Op de nieuwe aarde, die dan al bij de nieuwe hemel is gevoegd. Dat is voor Wright de kern van alles wat hij in dit hoofdstuk over dit onderwerp wil zeggen. Ook zal er in deze nieuwe wereld geen overbevolking zijn.

Wat zal het opstandingslichaam precies zijn?
Een van de weinige moderne schrijvers die geprobeerd hebben dit te beschrijven is C.S. Lewis, vooral in zijn boek De grote scheiding. Daar schildert hij ons lichaam voor die steviger, echter en substantiëler is dan ons huidige lichaam. Dat is de opdracht en uitnodiging zoals we ook in 2 Kor. 4:17 kunnen lezen. “De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft.” In de oudheid gingen ook veel vragen over de kenmerken die zo’n lichaam zou hebben. Zal onze neus nog dezelfde vorm hebben? Deze vragen zijn niet te beantwoorden. Wel kunnen we concluderen uit het voorbeeld van het Jezus’ opstanding dat zijn wonden nog steeds zichtbaar waren. Niet als bron van pijn en dood, maar als tekenen van zijn overwinning. Wat we in ieder geval weten, is dat het lichaam onsterfelijk zal zijn. We zijn de dood voorbij, zowel in tijdelijke zin, als in ontologische zin, d.w.z. dat het niet meer is onderworpen aan ziekte, verval en de dood. Vandaar de verwarring bij de discipelen toen ze het eerste en enige stukje van onvergankelijke lichamelijkheid zagen. Het woord ‘onsterfelijkheid’ kan ons soms op het verkeerde been zetten, als we dit ten onrechte interpreteren als ‘lichaamloze onsterfelijkheid’.  Paulus heeft het bij een opstandingslichaam altijd over een lichaam, maar dan een die niet meer aan de sterfelijkheid is onderworpen. We hebben het dus zeker niet over een ‘onsterfelijke ziel’. Volgens het Nieuwe Testament bezit alleen God onsterfelijkheid. De onsterfelijkheid die God ons geeft, is een geschenk en niet een ingeschapen eigenschap.

Waarom zullen we een nieuw lichaam krijgen?
Volgens de eerste christenen zouden we met dit nieuwe lichaam, het doel hebben om verstandig over Gods wereld te heersen. Er zal werk te doen zijn en we zullen ervan genieten. De talenten en vaardigheden die we in dit leven hebben, kunnen we daarvoor goed gebruiken. Over dit aspect van het opstandingsleven is het minst nagedacht. (Rom. 5:17, 1 Kor. 6:2-3, 2 Tim. 2:12, Openb. 1:6, 5;10, 20:4, 22:5). Het Bijbelse beeld van Gods toekomst houdt de vernieuwing van de hele kosmos in. Dit ligt in lijn van het beeld van Gen 1 en 2 waar de tuin weer verzorgd moet worden en de dieren nieuwe namen moeten krijgen. Dit zijn de richtingwijzers naar een grotere werkelijkheid, waar de meeste christenen maar weinig aandacht aan besteden. Ons nieuwe lichaam zal een geschenk zijn van Gods genade en liefde. Maar ook spreekt het Nieuwe Testament dat Gods komende zegen een beloning zal zijn. Niet als vervanging van rechtvaardiging door geloof alleen, maar meer als een resultaat van je inspanningen, zoals je beter wordt in sport door te oefenen of zoals je aan een goed huwelijk werkt. De ‘beloning’ is op een organische manier aan de activiteit verbonden. Het is niet willekeurig, maar altijd veel overvloediger en rijker dan een directe beloning naar werken. Vandaar dat Paulus zegt in vers 15:58 ‘dat onze inspanningen nooit tevergeefs zijn.

Wanneer zal de opstanding plaatsvinden?
Veelal werd gedacht dat dit meteen na ons sterven plaats zal vinden. Wright heeft daar grote moeite mee. Paulus zegt dat Christus de eerste vrucht is, en dat ieder die bij Hem hoort ‘bij zijn komst’ opgewekt zal worden. Ook Openb. 6:9-11 zegt dat de gestorvenen wachten op het moment dat ze opgewekt zullen worden. Dit is een tussenperiode die we zowel in het Joodse als christelijke denken tegenkomen. Voor Wright is de nieuwe schepping op een wezenlijke manier een voortzetting van de huidige. We kunnen niet zeggen dat die al aangebroken is, net zomin dat het opstandingsleven van Jezus al vóór zijn kruisiging bestond en actief was. Het nieuwe is niet slechts de vervanging, maar de transformatie van het oude. En aangezien die transformatie nog niet heeft plaatsgevonden, kan de opstanding, het centrale element daarvan, nog niet hebben plaatsgevonden. De tijd vormde ook een onderdeel van de oorspronkelijke schepping die goed was. Eeuwigheid betekent dan ook niet dat er geen tijd zal zijn. Waarschijnlijk zal die ook getransformeerd worden op een manier zoals we nu nog niet kunnen bedenken. De oude akker van ruimte, tijd, materie en zintuigen moet gewied, omgespit en ingezaaid worden voor een nieuwe oogst.

Hoe zal dat gebeuren?
In wezen gaat het hier om een geweldige nieuwe scheppingsdaad. Paulus zegt dat God ons een nieuw lichaam zal geven, hoewel er waarschijnlijk ook sprake van een zekere continuïteit zal zijn, zoals we bij Jezus zagen. Bij de vraag van het hoe, werd in de vroegchristelijke kerk steeds het antwoord gegeven dat het door de Geest zal gebeuren. De Geest die boven het water en de chaos zweefde en zo rijkelijk in Jezus woonde, dat we hem nu als de Geest van Jezus kennen. Dit noemt de Bijbel noemt dit de eerste vrucht, de aanbetaling, als garantie van wat komen gaat. De oude belijdenis spreekt over de ‘Heilige Geest, die Here is en levend maakt.’

Verrast door hoop

https://www.bol.com/nl/p/verrast-door-hoop/1001004006923117/

 

 

 

Enige gedachten over de uitverkiezing. (werkstuk Grace and Freedom gemaakt op de VU op 13 juni 2011)

Inleiding

In de module Grace and Freedom hebben we gekeken naar de theologische thema’s genade en vrijheid, zoals die door diverse theologen door de eeuwen heen verwoord zijn, vooral via het conflictmodel, waarbij twee theologen (of stromingen) elkaar heftig en vurig bestreden. Het bekendste in Nederland is waarschijnlijk de strijd tussen (de volgelingen van) Arminius en Gomarus, welke uitliep op de synode van Dordrecht (1618-1619). Het begin van deze (theologische) strijd is begonnen tussen Augustinus (354-430) en Pelagius (360-435). Pelagius benadrukte (o.a.) de vrije wil, d.w.z. de mogelijkheid om het goede of het kwade te kunnen kiezen. Pelagius verwierp ook de ‘erfzonde’, een onderwerp dat door Augustinus grondig op de kaart werd gezet. Voor Augustinus was “De leer van de erfzonde van cruciaal belang voor het begrijpen van zowel genade als de vrije wil. De erfzonde maakt genade noodzakelijk.”[1] Voor Pelagius stond de goedheid van God centraal. Zo leidt deze controverse tot een duidelijke visie op de uitverkiezing (door Augustinus), die enerzijds nauw verbonden is aan de verzoeningsleer (wie wordt er gered en wie niet) en anderzijds op de leer van God, met name de soevereiniteit van God, ook wel de raad Gods genoemd. In eerste instantie werd de leer van Pelagius veroordeeld op het concilie van Efeze (431), maar het debat woedde nog vele jaren door en wat inmiddels het semi-pelagianisme werd genoemd, haalde de overwinning op de concilies van Arles (472) en Lyon (475), waarna het tenslotte op het concilie van Orange (529) definitief werd veroordeeld. Dit geeft al aan dat het conflict (of discussie) niet zo eenvoudig was als het in eerste instantie leek, toen niet, maar ook nu nog niet is uitgewoed.

De centrale vraag of het heil (of de toe-eigening daarvan) van Gods beslissing afhangt of onze beslissing is, is door de eeuwen heen een strijdpunt geweest. Dit geeft enerzijds het belang ervan aan en anderzijds ook de complexiteit ervan. Thomas van Aquino (1225-1275) bracht de wilsvrijheid naar voren als een van de meest fundamentele kerkelijke leerstukken, maar bleef dit combineren met de leer van de predestinatie. Johannes Duns Scotus (1265-1308) benadrukte ook de rol van de vrije wil, maar verwierp de zondigheid van de mens, zoals Augustinus die benadrukte. Ook bij Luther (1483-1546) en Erasmus (1469-1536) komt het debat over de vrije wil weer aan de orde. De titels van hun respectievelijke boeken over dit onderwerpen (De servo arbitrio (1525) en De libero arbitrio (1524)) geven al een aardige indicatie van hun gedachtengoed. Hier zien we dat Erasmus het semi-pelagiaanse standpunt aanhangt, zoals dit inmiddels in de Rooms Katholieke kerk toch weer de overhand had gekregen. De reformatie zorgt voor een heropleving van de standpunten van Augustinus, waar (behalve Luther) vooral Calvijn (1509-1654) verantwoordelijk voor is. De aanhangers van de ‘vrije wil’ worden vaak Arminianen genoemd, maar het is de vraag of dit recht doet aan de opvattingen van Arminius (1559-1609). Pas na de dood van Arminius stelden zijn volgelingen in 1610 een geschrift op genaamd de remonstrantie bestaande uit vijf artikelen, wat hen de naam remonstranten opleverde. De tegenstanders hiervan kwamen in 1611 met een contra-remonstrantie van zeven artikelen als antwoord hierop. Dit debat duurde enige jaren waarop de overheid een nationale synode bijeenriep in november 1618 in Dordrecht, waar als resultaat ook in vijf artikelen de remonstrantie veroordeeld werd en het historisch calvinisme in duidelijke leerregels of canons werd herbevestigd. Bij John Wesley (1703-1791), een Brits theoloog en prediker zien we ook (weer) een afwijzing van de calvinistische leer van de uitverkiezing, die tot een breuk met zijn vriend en collega Whitefield leidde.

Hoewel ik Karl Barth (1886-1968) verder niet zal behandelen in deze paper, kan hij toch niet ongenoemd blijven. Hij kan worden beschouwd als een van de grootste theologen van de vorige eeuw en zijn commentaar op de Romeinenbrief (1921) kan als gezaghebbend worden beschouwd. Barth verwerpt de natuurlijke theologie als bron van Godskennis en stelt Jezus Christus en de Bijbel centraal als bron van de Godskennis en openbaring. Ook over de uitverkiezing heeft Barth uitvoerig nagedacht. Barth kiest niet voor een vast systeem, maar het heeft bij hem sterke narratieve trekken, dat in het verhaal en in de geschiedenis (ook) Gods werkelijkheid is. Van der Kooi zegt “Barth heeft met zijn interpretatie van de actualiteit van Gods eeuwige wil een dilemma willen oplossen waartoe de predestinatieleer traditioneel aanleiding geeft.”[2] Via theologen als o.a. Miskotte, Berkhof en Berkhouwer[3], heeft Barth ook invloed op de theologie in Nederland gehad.

Wat momenteel speelt binnen een deel van de ‘evangelische’ beweging, zijn de ideeën en theologie van Charles H. Pinnock (1937-2010). Ook hij verwerpt de traditionele leer over de uitverkiezing en komt met een alternatieve theologie, wat open theïsme word genoemd. Hoewel niet iedereen enthousiast is over zijn ideeën, zie ik wel voldoende aanknopingspunten bij Pinnock om de discussie over dit onderwerp op een vernieuwde manier voort te zetten.

Ik wil in deze paper een aantal theologen behandelen die een rol hebben gespeeld in de discussie over genade en vrijheid in de loop der eeuwen. Vanwege de lengte kan ik slechts een aantal kernpunten van hun gedachten en ideeën behandelen. Voor mij staan twee vragen centraal, namelijk wat zijn de pastorale consequenties van een bepaalde theologie en wat is het Godsbeeld (en uiteindelijk ook het mensbeeld) dat daar achter zit. Andere vragen die ook verband houden met dit onderwerp zijn: is God de auteur van de zonde? Wat kan de mens bijdragen aan zijn redding? Is er een universeel heilsaanbod? Is het mogelijk God te weerstaan? (d.w.z. is er sprake van onweerstaanbare genade?) en is volharding van de heiligen mogelijk?

Arminius

Jacobus Arminius (1559-1609) was een Nederlandse predikant en theoloog. Toen hij was geboren, was zijn vader al overleden en hij werd opgevoed, eerst door Aemillius en later door Snellius, die hem liet studeren in Marburg en later in Leiden. Hij kreeg een beurs om verder te studeren in Genève. Daar studeerde hij onder Theodorus Beza, de opvolger van Calvijn. Ook studeerde hij kort in Italië in 1586 en vervolgens werd hij in 1587 beroepen tot predikant in Amsterdam. Rond (en voor) 1591 waren er al conflicten rond Arminius m.b.t. de leer van de uitverkiezing. Arminius was gevraagd om twee andersdenkende theologen (o.a. Dirck Coornhert) van repliek te dienen over het onderwerp van de uitverkiezing. Zijn weigering was mede de reden van de beschuldigingen dat hij niet zuiver in de leer zou zijn in dit leerstuk. Maatregelen tegen hem bleven uit, omdat het standpunt van Arminius niet duidelijk was en er niets op papier stond. Volgens Sproul[4] ging Arminius in deze periode twijfelen aan zowel het supralapsarisme, alswel aan de hele leer van de onvoorwaardelijke predestinatie. Het belangrijkste verschil van het supralapsarisme t.o.v. het infralapsarisme was dat het supralapsarisme leerde dat God zowel de verkiezing als de verwerping van de mensen vóór de zondeval bepaalde. Dit is niet een chronologische volgorde, maar een logische volgorde, omdat tijd niet bestaat bij God. Reeds in 1561 werd de Nederlandse Geloofsbelijdenis opgesteld, waarin in artikel 16 (redelijk summier) wordt geschreven over de goddelijke verkiezing, waarin God barmhartig wordt genoemd vanwege Zijn verkiezing en rechtvaardig, doordat Hij de anderen laat in hun val en verderf, waarin zij zichzelf gestort hebben.[5] Hiermee wordt dus uitgesloten dat God ook de auteur van het kwaad of de zonde is, een gedachte die soms onvermijdelijk lijkt bij sommige interpretaties van de uitverkiezingsleer.

In 1603 wordt Arminius benoemd tot hoogleraar theologie in Leiden, waartegen Gomarus, die daar ook hoogleraar is, protesteert vanwege Arminius vermeende onrechtzinnigheid. Na een maaltijd worden de verschillen en bedenkingen uitgepraat en promoveert Arminius bij Gomarus en treedt toe tot het hooglerarenkorps. De diverse conflicten rond dit onderwerp laten zien dat er een toenemend gebrek aan tolerantie bestond in de kerk (maar ook in de samenleving) en waarbij respect voor andersdenkenden steeds minder werd. Wellicht is dit een van de minder positieve neveneffecten van de reformatie geweest, die misschien in de strijd tegen het Rooms Katholicisme te begrijpen was, maar nu zorgde voor (onnodige) verdeeldheid in de reformatorische gelederen.

In 1604 leidde Arminius een disputatie over de voorbeschikking en de verkiezing, deze onderwerpen waren volgens het rooster bepaald. Hieruit kwamen de verschillen met de inzichten en leer van Gomarus weer naar voren. Beiden leerden dat geloof een gave van de genadige God is, maar Arminius legt ook een verband tussen Gods eeuwige besluit en de menselijke geloofsdaad. De mens is volgens Arminius bij machte om die gave van geloof te verwerpen en dus ook het heil af te wijzen. Hij is dus met zijn eigen wil verantwoordelijk voor zijn eigen heil. Dat was voor Gomarus niet acceptabel, omdat geen mens ongedaan kan maken wat God gedaan heeft. Gods genadige besluit kan niet afhangen van de wil van een mens. Hieruit blijkt dus vooral een verschil in visie op de mens. De Jong zegt dat deze debatten zowel de prediking raken als de zielzorg.[6] De prediking, omdat Arminius vond dat de predikant zijn toehoorders moest kunnen oproepen voor een beslissende keuze voor of tegen het aangeboden heil. Dit argument zal nog steeds terugkeren voor degenen die tegenwoordig zich Arminianen of voorstanders van de vrije wil noemen. En ook de zielzorg, omdat Gomarus vond dat de zekerheid van het heil verdween. Het werk van Christus moest immers vaststaan ongeacht de menselijke aanvaarding of verloochening? Ook het aspect van de heilszekerheid is een thema wat vaker voor zal komen, maar dan in de zin dat men (vaak) twijfelt of men wel uitverkoren (en dus behouden) is. M.i. is dit de grootste zwakte van de leer van de uitverkiezing, dat het mensen onzeker op dit punt maakt.

Deze verschillen van mening leidden tot diverse debatten, vergaderingen, verzoeken tot synodes, het opstellen van een remonstrantie na de dood van Arminius (1609), gevolgd door een contraremonstrantie (1611), waarna de conflicten en spanningen nog jarenlang doorgingen in de kerk en de samenleving, tot in 1618 (eindelijk) besloten werd tot een nationale synode die dit probleem op moest lossen. Deze synode van Dordrecht bracht wel duidelijkheid in de gewenste leer voor de meerderheid, maar daarmee waren de conflicten nog niet opgelost. Een theologische uitdaging van deze omvang los je niet op m.b.v. het conflictmodel. De tegenstellingen die toen aan het licht kwamen, zijn, soms in licht aangepaste vorm, nog eeuwenlang doorgegaan en nog niet definitief tot ieders tevredenheid opgelost.

Bavinck

Herman Bavinck (1854-1921) was een Nederlands predikant, theoloog en politicus. Hij heeft theologie gestudeerd in Kampen en Leiden, waar hij in 1880 promoveerde tot doctor in de godgeleerdheid. Daarna was hij enige jaren Christelijk Gereformeerd predikant. Van 1882 tot 1902 was hij docent aan de Theologische School in Kampen, maar ging in 1902 over naar de Vrije Universiteit in Amsterdam, samen met een collega en een groot aantal studenten. Ook was hij actief in de politiek en het christelijk onderwijs. Samen met Abraham Kuyper was hij één van de grondleggers van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Als zijn belangrijkste werk wordt de vierdelige dogmatiek ‘Gereformeerde Dogmatiek’ beschouwd, waarvan het eerste deel in 1895 verscheen en de laatste bijgewerkte versie in de jaren 1906-1911. Otto J. de Jong zegt over dit boek: ‘die met historische uitweidingen en systematische beschouwingen liet zien hoe hij ook de niet-gereformeerde theologie grondig kende en eerlijk wilde weergeven.’[7]

In deel 2 van dit boek behandelt hij de uitverkiezing onder de titel De Raad Gods in hoofdstuk IV Over God. Sinds Beza is het gebruikelijk om de uitverkiezing bij de leer van God te behandelen. In een 18-tal artikelen gaat hij door de Bijbel en de kerkgeschiedenis heen in zijn beschrijvingen over dit onderwerp, om vervolgens aan het eind tot de conclusie te komen dat “de predestinatie op de verkiezing van Christus en Zijn gemeente uitloopt als een gebouw tot eer en verheerlijking van God.”[8]

Bavinck’ s theologie draagt de sporen van de 19e eeuw, zowel qua taalgebruik als de effecten die de modernisering in de cultuur had bewerkstelligt. Hij neemt deze kennis en inzichten mee in zijn theologie en dogmatiek. Zo schrijft hij “Diepere studie van natuur, geschiedenis en mensch heeft in deze eeuw de onhoudbaarheid van het deïstisch pelagianisme aangetoond.”[9] Ook Darwins’ leer van de survival of the fittest wordt met instemming omarmt.[10] Toch blijft hij trouw aan de reformatorische standpunten betreffende de uitverkiezing. Hij schrijft met een zekere mildheid over andere opvattingen, maar is wel duidelijk waar hij zelf voor staat. Zijn definitie van de uitverkiezing is de volgende: “Onder den Raad Gods is te verstaan zijn eeuwig besluit over al wat in den tijd zijn of geschieden zal.”[11] Voor hem is dit een voluit Bijbelse gedachte. Hij zeg dan ook “Onder Christenen kan er dan ook over het bestaan van zulk een raad des Heeren geen verschil bestaan.”[12] De trouw en onveranderlijkheid van God, die duidelijk worden door het verbond en de vastheid van Gods beloften, zijn voor Bavinck bijbels en niets hiervan ziet hij terug bij het Pelagianisme. Dit verwerpt hij toch in duidelijke bewoordingen. De Rooms Katholieke en de Lutherse kerk zijn volgens hem onzuiver geworden door semi-pelagiaanse invloeden. Interessant is te zien dat hij geen keuze maakt tussen het supra- en het infralapsarische standpunt. Hij beschrijft van beiden de sterke en zwakke kanten, maar vind dat beide standpunten niet in staat zijn “om de volle rijke waarheid der Schrift in zich op te nemen en ons theologisch denken te bevredigen.”[13]

Onduidelijk vind ik Bavinck in de beantwoording van de vraag of God de auteur van de zonde is. Hij zegt dat zowel “de praescientia als de permissio geen oplossing daarvoor geven, want God had, den val te voren wetende, hem kunnen verhinderen. Hij heeft hem dus vrijwillig toegelaten, wijl Hij dit goed oordeelde. Daarom is Adams val, de zonde in het algemeen en al het kwade niet alleen door God voorzien maar ook door Hem in zekeren zin gewild en bepaald.”[14]

Dat is wel de logische consequentie van de leer van de absolute soevereiniteit en alwetendheid van God, maar werd door diverse andere reformatorische geschriften(zoals artikel 16 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis) daarvoor, toch anders verwoord.
Wesley

John Wesley (1703-1791) was een Brits theoloog en prediker. Hij werd als vijftiende kind geboren in een gezin met 19 kinderen, waarvan zijn vader Anglicaans predikant was met een non-conformistische en puriteinse achtergrond. Hij studeerde in Oxford en was een aantal jaren diaken in de kerk van zijn vader. In 1729 keert hij terug naar Oxford waar hij samen met zijn broer Charles en George Whitefield betrokken is bij de Holy Club, waarbij de Bijbel dagelijks enkele uren per dag wordt bestudeerd en er twee keer in de week wordt gevast. In 1735 gaat hij samen met zijn broer als zendeling naar Amerika, waar hij in contact komt met de Hernhutters. Deze periode is niet zo succesvol en hij keert terug naar Engeland in 1738. Kort daarna heeft hij weer contact met de Hernhutters en heeft hij een bekeringservaring, wat misschien niet zozeer als een bekering moet worden gezien, maar als het ervaren van de heilszekerheid (‘assurance of salvation’).[15] Vanaf dit moment legt hij in zijn preken sterk de nadruk op de persoonlijke redding door het geloof en de geloofszekerheid dat je kunt weten dat je een kind van God bent. Naar het voorbeeld van George Whitefield begint hij vanaf 1739, vaak samen met zijn broer Charles, openluchtsamenkomsten te houden, mede omdat hij niet meer welkom is in vele Anglicaanse kerken. Er wordt gezegd dat hij meer dan 250.000 mijl door Groot Brittannië heeft gereisd en zeker 40.000 keer gepreekt heeft.[16] Door zijn grote organisatorische vaardigheden werden de vele bekeerlingen georganiseerd in ‘societies’ en ‘bands’, die vaak naast de gewone kerken functioneerden, maar op termijn zijn uitgegroeid tot de Methodistenkerk. Wesley is zelf wel zijn hele leven lid gebleven van de Anglicaanse kerk, maar dit verliep niet zonder spanningen. Naast de prediking zijn de Wesley broers ook bekend geworden door de vele hymns die ze gemaakt hebben.

John Wesley wordt niet beschouwd als een systematisch theoloog, maar wel kan zijn theologie worden gehaald uit zijn preken en andere traktaten die zijn gepubliceerd. Zijn theologie leunt sterk op het reformatorische gedachtegoed, maar is ook gekleurd door zijn eigen ervaringen. Door de erfzonde is het nodig dat de Heilige Geest het initiatief neemt om de mens naar God toe te trekken. Dit werk van de Heilige Geest wordt prevenient grace genoemd. Hierdoor is er ook de garantie dat de mens de vrijheid heeft om ja tegen God te zeggen. Dit wordt beschouwd als het hart van het Arminianisme van Wesley.[17] Echter, Arminius geloofde, in tegenstelling tot Wesley, wel in de volledige val van de mens.[18]

Bekering komt voor Wesley in twee fasen, ten eerste de rechtvaardiging door het geloof (justifying grace) en ten tweede de wedergeboorte, waardoor een proces van heiliging wordt opgestart. Dit wordt ook wel sanctifying grace genoemd. De leer van Wesley over heiliging zou de basis vormen voor de latere heiligingsbeweging, wat ook zijn invloed kreeg binnen de Pinksterbeweging.

In 1739 preekt Wesley met sterke bewoordingen tegen de leer van de predestinatie wat tot een breuk in de samenwerking en vriendschap met Whitefield leidde. In deze preek geeft Wesley zeven argumenten waarom de dubbele predestinatie volgens hem een dwaalleer is.[19] Deze argumenten zijn vooral praktische bezwaren, maar uiteindelijk blijkt het bij Wesley ook te gaan om het Godsbeeld. Weeber zegt “Een belangrijke opmerking van Wesley is “dat de Schrift ons leert dat Gods soevereiniteit geleid wordt door Zijn liefde.” Hij beschouwd de liefde als Gods voornaamste eigenschap.”[20]

Deze nadruk op Gods liefde (vaak ten koste van Zijn andere eigenschappen) zien we vaker terug bij evangelische theologen en auteurs, waaronder ook Pinnock. Positief uitgelegd kan dit gezien worden als een (m.i. noodzakelijke) correctie op een eveneens eenzijdig Godsbeeld van een strenge (of soevereine) God. Hieruit blijft wel dat het Godsbeeld als uitgangspunt van iemands theologie leidend is voor de verdere theologische standpunten, met name op het gebied van genade en vrije wil.

Pinnock

Charles H. Pinncok (1937-2010) was een Canadese theoloog en auteur. Hij groeide op in een vrijzinnige Baptistenkerk in Toronto, maar kwam al op vrije jonge leeftijd tot een levend geloof. Hij heeft gestudeerd in Canada en Engeland (bij F.F. Bruce) en doceerde daarna theologie op diverse universiteiten in Amerika en Canada tot aan zijn pensionering in 2002. Hij is auteur of mede-auteur van ruim twintig boeken, waarvan Flame of Love (1996), Most Moved Mover (2001) en Ontketende liefde (Ned. vertaling van Unbounded Love 1994) tot de bekendere werken horen.

In Ontketende liefde, een evangelische theologie voor de 21ste eeuw wil Pinnock (samen met Robert C. Brow) een nieuw ontwerp bieden voor een evangelische theologie. Het boek bevat een viertal delen, die resp. de Godsleer, de Zondeleer, de Verlossingsleer en de Geloofsleer behandelen. M.i is het eerste deel, de Godsleer het belangrijkste onderdeel van het boek, omdat hier het fundament wordt gelegd waarop in de rest van het boek verder wordt voortgeborduurd.

Voor Pinnock staat de genade van God centraal, maar deze genade is overvloedig voor de hele mensheid.[21] Daarmee staat de liefde van God centraal en niet Zijn soevereiniteit. Op een aantal punten gaat hij lijnrecht in tegen wat hij de klassieke theologie noemt of het Reformatorische of Calvinistische godsbeeld. Hij drukt zich stevig uit in zijn afwijzing van wat hij noemt de verlossingsleer in juridische termen. Hij wil met zijn (evangelische) theologie bewust correcties aanbrengen op het traditionele denken. God is voor hem een dynamisch en liefhebbend drie-enig-wezen, die een zinvolle interactie wil hebben met de mens.[22] Dat is de kern van zijn godsbeeld. God openbaart zich in eerste instantie in de geschiedenis, meer nog dan in de Bijbel. Wel kunnen we door de verhalen en metaforen in de Bijbel meer over God leren. Maar uit meerdere citaten blijft dat Pinnock zeker geen fundamentalist is of alles in de Bijbel letterlijk wil nemen. Alleen daarmee zal hij zich in de evangelische wereld niet bij iedereen populair maken. Het feit dat God een Triniteit is, is voor Pinnock een belangrijk gegeven. Hiermee is zowel liefde als gemeenschap (relationaliteit) een belangrijke eigenschap van God. Ook laat dit zien dat God kwaliteiten van wederkerigheid, samenwerking en vrede heeft. Dit godsbeeld wat Pinnock beschrijft is de basis van wat hij het theïsme van creatieve liefde noemt. Hij zegt: “God is alomvattende liefde, meer liefhebbend vader dan rechter, meer open wederkerigheid dan allesbeheersend.”[23]

Dit godsbeeld heeft dan ook gevolgen voor de zondeleer. Ook zonde moet niet in juridische termen worden bekeken, als een overtreding van regels, maar als de weigering van de mens om Gods liefde te aanvaarden. “Zonde is de verstoring van onze relatie met God.”[24] We zijn geschapen om relatie met God te hebben, dus zorgt zonde ervoor dat we de behoefte aan Gods genade ontkennen. Ook heeft het gevolgen voor de sociale menselijke verhoudingen. Ik krijg het idee dat hij de erfzonde verwerpt en vindt dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen daden. We kunnen daar niet Adam de schuld van geven. Het oordeel van God staat bij Pinnock in dienst van Zijn liefde en niet als een functie van Zijn heiligheid. Gods toorn en Zijn liefde zijn niet van hetzelfde karakter. “Het doel van Gods oordeel is genade.”[25] Het oordeel van God en Zijn gerechtigheid zijn deel van Zijn verlossend werk. Er is ook volop ruimte voor menselijke keuzes in de geschiedenis.

Het theïsme van creatieve liefde zoals Pinnock dat uitlegt, gaat ervan uit dat God wil dat alle mensen behouden worden. Christus is gestorven voor alle zondaren, maar dat wil niet zeggen dat ze ook allemaal behouden worden. De waarschuwingen met betrekking tot de hel (voornamelijk in het Nieuwe Testament) zijn een indicatie dat mensen de ruimte en de vrijheid hebben om God af te wijzen. Dit is een belangrijk punt voor Pinnock. Hij zegt ”De hel bestaat omdat liefde geweigerd kan worden.”[26] Toch is hij geen voorstander van het idee van een hel als een plaats van eeuwige foltering van lichaam en ziel. Hij pleit voor de leer van de uiteindelijke vernietiging, met als argument de woorden van Paulus, dat het loon van de zonde de dood is (Rom. 6:23). Dit houdt voor hem wel in dat geen onsterfelijkheid van de ziel is. Gelukkig pleit Pinnock niet voor de alverzoening, wat een grote valkuil kan zijn als je Gods liefde centraal gaat stellen. Deze laatste opvatting wordt (helaas) steeds breder gedragen in evangelische kringen, hoewel ik denk dat bij een herontwerp zoals Pinnock die voorstaat, je er niet aan ontkomt om al deze aspecten grondig te bestuderen en te heroverwegen.

Ik kan me aardig vinden in de ideeën en argumenten van Pinnock, hoewel ik me voor kan stellen dat dit voor velen een brug te ver zal zijn. Toch biedt het voldoende ruimte voor verdere studie en discussie, zeker op het gebied van de evangelische (en Pinkster) theologie.
Conclusie

Door het bestuderen en lezen over dit onderwerp, ben ik tot de conclusie gekomen dat dit onderwerp tot een van de belangrijkere thema’s in de dogmatiek behoort. Ook valt het me op dat er nooit binnen het christendom een algemene overeenstemming is geweest over de waarde die toegekend kan worden aan de vrije wil en hoe zich dit verhoud tot de wil van God. Het lijkt wel onvermijdelijk of de nadruk wordt gelegd op de keuzes die de mens maakt of de keuze die God maakt. Blijkbaar is het lastig om hier een goede middenweg in te vinden. Het feit dat theologie vaak een polemisch karakter had en men het vaak nodig vond om tegenstanders te vervolgen, heeft daar ook aan bijgedragen. Ik denk dat er nog wel een theologische uitdaging ligt om verder na te denken over dit onderwerp en tot nieuwe inzichten te komen. Voor mezelf kan ik wel wat met de inzichten van Pinnock. Van belang is om welk duidelijk te hebben welk Godsbeeld je uitgangspunt is voor je theologie en exegese. Ik denk dat een te eenzijdig Godsbeeld een goede exegese kan belemmeren, waardoor de uitkomst van de exegese bij voorbaat al vaststaat. Dat is bij dogmatiek in het algemeen een valkuil. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat een aantal hierboven door mij behandelde theologen zich hier ook schuldig aan heeft gemaakt, ongetwijfeld met goede en oprechte bedoelingen

Wat ik belangrijk vind is wat de vrucht van een bepaald theologisch standpunt is, vooral de pastorale gevolgen. Wat dat betreft is de calvinistische leer die de heilszekerheid wilde benadrukken (althans voor diegenen die uitverkoren) waren, daar (m.i) niet in geslaagd. Ook is deze theologie met al zijn specifieke termen[27] die alleen door professionele theologen te begrijpen zijn, te complex geworden voor de gewone gelovigen. Wat dat betreft is het boek van Pinnock (met al zijn beperkingen) voor de leek beter te begrijpen. Dat zegt nog niets over de juistheid van de argumenten en zijn Bijbeluitleg. Ik denk dat over het onderwerp ‘genade’ en ‘vrijheid’ nog niet het laatste woord is gezegd, maar dat Pinnock voor de ontwikkeling van de evangelische theologie een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Of dit tot overstemming tussen reformatorische en evangelische gelovigen zal leiden, waag ik te betwijfelen.

Ik wil besluiten met een citaat van Ton Verdam[28] waar ik helemaal mee in kan stemmen: “Geef het “open model” wat tijd om te rijpen; andere modellen hebben eeuwen de tijd gehad.”

Voetnoten

[1] R.C. Sproul, Vrije wil en genade, p.65

[2] C. van der Kooi, Als in een spiegel, p.345

[3] Een goed voorbeeld is het boek van Berkhouwer De triomf der genade in de theologie van Karl Barth (1954)

[4] Sproul, p. 164

[5] Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland, p.176

[6] Otto J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, p.182-183

[7] Otto J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, p.359

[8] H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 2, p. 362,366,369

[9] Idem, p.330

[10] Idem, p.362

[11] Idem, p.333

[12] Idem, p333

[13] Idem, p.354

[14] Idem, p.325

[15] Tony Lane, The Lion Concise Book of Christian Thought, p.155

[16] Walter A. Elwell, Evangelical Dictionary of Theology, p.1164

[17] Walter A. Elwell, p.1164

[18] Weeber, Pieter, De Uitverkiezing, Een Lofrede op Gods Soevereiniteit, p.8

[19] Weeber, p.13. Hij maakt een verwijzing naar preek 128 over de Vrije Genade in Letters of John Wesley, vol. 3, p.373-386

[20] Weeber, p.14

[21] Pinnock, H. Clark & Brow, Robert. C., Ontketende liefde, p.8

[22] Idem, p.11

[23] Idem, p.53-54

[24] Idem, p.65

[25] Idem, p.78

[26] Idem, p.98

[27] Denk aan de termen ‘noodzakelijkheid’ en ‘contingentie’ door mij verder niet behandeld.

[28] Soteria, themanummer Evangelische theologie voor de 21e eeuw, 19e jaargang 2002 nr. 1, p.61

Bibliografie

  • Bavinck, H, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1 en 2 (Kampen: Kok 7e druk 1998)
  • Boer, William den, Duplex amor Dei (Apeldoorn: Instituut voor Reformatieonderzoek 2008)
  • Elwell, Walter A., Evangelical Dictionary of Theology (Basingstoke: Marshall Pickering 1985)
  • Jong, Otto J. de, Nederlandse Kerkgeschiedenis (Nijkerk: Callenbach 1985)
  • Kooi, C. van der, Als in een spiegel, God kennen volgens Calvijn en Barth (Kampen: Kok 2005 vierde, herziene druk)
  • Lane, Tony, The Lion Concise Book of Christian Thought (Tring: Lion Publishing 1987)
  • Pinnock, H. Clark & Brow, Robert. C., Ontketende liefde (Gorinchem; Ekklesia 2001)
  • Soteria, themanummer Evangelische theologie voor de 21e eeuw, 19e jaargang 2002 nr. 1 (Sliedrecht: Merweboek uitgeverij 2002)
  • Sproul, R.C., Vrije wil en genade (Kampen: De Groot Goudriaan 2008)
  • Weeber, Pieter, De Uitverkiezing, Een Lofrede op Gods Soevereiniteit (Dordrecht: Importantia Publishing 2010)
  • Zwanepol, K. en Campenhout, C.H. van (Eindredactie), Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland (Heerenveen: Protestantse Pers 2009)

De brieven van Paulus

Dit artikel is een vervolg op het leven van Paulus.

Brieven van Paulus.

3. Brieven van Paulus
3.1. Plaats in de Bijbel
Er zijn 13 brieven van Paulus bekend die in onze Bijbel zijn opgenomen, na het boek Handelingen. Ze staan op volgorde van lengte, dus niet chronologisch. De eerste negen brieven zijn brieven aan gemeenten, de laatste vier brieven worden de pastorale brieven genoemd, omdat ze aan een persoon zijn geschreven.

3.2. Datering
Over de dateringen van de brieven van Paulus zijn de verschillende meningen niet heel groot. Ik heb in een bijlage de jaartallen genoemd van de drie boeken die ik voor deze studie vooral gebruikt hebt.

3.3. Aanhef van de brieven
Brieven in de oudheid werden volgens een vaste structuur geschreven. Dit is gebleken uit de vele brieven die door archeologen zijn gevonden. Met name de aanhef van de brief hadden vaste elementen in een vaste volgorde:
– de naam van de briefschrijver
– de naam van de geadresseerd(n)
– de begroeting
– de mededeling, dat de briefschrijver om de gezondheid van de geadresseerde(n) tot de god(en) bidt
– een uitgesproken verlangen om tot de geadresseerde(n) te komen

Paulus blijft in zijn aanhef meestal grotendeels binnen deze structuur, maar neemt wel de vrijheid om dit op details anders in te vullen. Zo voegt hij bij zijn naam meestal zijn apostelambt toe in kleurrijke bewoordingen. En in plaats van een bede om lichamelijke gezondheid, wenst hij hen vaak ‘genade en vrede van God’ toe, d.w.z. de geestelijke gezondheid staat voorop.

3.4. Literair genre4
Voor Gordon Fee is het belangrijk om het literaire genre van een bijbelboek te kennen, als een van de sleutels om de inhoud beter te kunnen begrijpen. Hij noemt de brieven ‘occasional documents’, wat betekent dat ze zijn geschreven naar aanleiding van iets. Ten tweede zijn het documenten uit de eerste eeuw.

‘Occasional’ betekent dat ze zijn geschreven naar aanleiding van iets. We lezen dan wel de antwoorden, maar weten niet precies wat de vraag of probleem was of zelfs of er wel een probleem was. Dat houdt volgens Fee in dat ze niet primair als theologische verhandelingen zijn geschreven. Het zijn geen handboeken van de theologie van Paulus. Er zit wel theologie in verwerkt, je zou kunnen spreken van ‘toegepaste theologie’., maar wel altijd n.a.v. een specifieke situatie en aanleiding. We kunnen de brieven wel gebruiken om de christelijke theologie te ontdekken, maar de brieven zijn niet primair geschreven om de christelijke theologie uiteen te zetten. Het is altijd ten dienste van de aanleiding van de brief. Daarom is het belangrijk om goed te kijken wat de aanleiding van de brief was, welke zaken er spelen, wat de relatie is tussen Paulus en de gemeente, welke houding Paulus inneemt, etc.

Zes manieren om ons daarbij te helpen:
1. Bestudeer de historische context.
2. Lees de brief altijd in z’n geheel.
3. Bestudeer de literaire context.
4. Zoek naar de betekenis van de woorden, vooral de sleutelwoorden.
5. Realiseer je dat er probleemteksten zijn, omdat je de aanleiding niet kent. Alleen de lezers wisten waar het over ging. B.v. 1 Kor. 11:10 ‘vanwege de engelen’ en 1 Kor. 15:29 ‘dopen voor de doden’. We hebben dus soms een tekort aan kennis.
6. Zoek naar de betekenis voor de lezers van die tijd.

Samenvattend is dit voor Gordon Fee: The Epistles: Learning to Think Contextually.

Ondanks de kloof in tijd en omstandigheden, vindt Fee dat waar wij vandaag de dag vergelijkbare specifieke omstandigheden hebben met de christenen uit die tijd, Gods Woord aan ons hetzelfde is als Gods Woord aan hen.

Jack Hayford komt tot een vergelijkbare conclusie m.b.t. de toepassing: “Where these same problems exist in the modern church, the remedies are the same.”5

Vijf factoren die te maken hebben met hermeneutiek6:
Auteur, tekst, lezer, interpretatie, toepassing.

• Bij de auteur kun je denken aan de historische context, de bedoeling van de auteur, ed.
• Bij de tekst kun je denken aan de literaire context en alles wat met de inhoud van de tekst te maken heeft.
• Bij lezer kun je denken aan je eigen gekleurde bril (zoals je eigen kerkelijke achtergrond), waardoor het niet altijd makkelijk is om objectief te lezen. De moderne theorieën gaan ook vooral uit van de lezer om de betekenis te geven aan de gelezen tekst. Interactie tussen tekst en lezen staat momenteel centraal.
• Bij interpretatie kan het gaan om de betekenis te ontdekken voor de lezers van toen of voor de lezers van nu. Vaak wordt geprobeerd om dit via objectieve regels of methoden te doen. Een voorbeeld is te ontdekken of iets letterlijk of figuurlijk (beeldspraak) opgevat moet worden.
• Bij toepassing kun je denken aan wat voor gevolgen het lezen van de tekst heeft in het heden, d.w.z. wat kan (of moet) je er mee doen. De Bijbel roept ons immers op om niet alleen hoorders, maar ook daders van het woord te zijn! (Jak. 1:22). Toch moet de toepassing recht doen aan de tekst en de bedoeling van de tekst.

De eerste brief aan de Korinthiërs.

Vraag: Waar denk je als eerste aan als je aan de brieven aan de gemeente in Korinthe denkt?

Algemeen
• First Corinthians calls believers to be open to the gifts of the Spirit and to the Spirit of the gifts.7
• Orde op zaken in een jonge stadskerk.8
• De twee brieven aan de Korinthiërs vormen samen de grootste ons overgeleverde kerkordelijke verhandeling en zij leveren kostbare documentatie over de gang van zaken in de gemeenten ten tijde van de apostelen.9
• De brieven aan de Korinthiërs vormen samen een betrouwbare getuige van Paulus’ theologisch bepaalde pastorale aanwijzingen aan de gemeenten die hij stichtte.10
• 1 Korinthe geeft ons een fascinerend en waardevol inzicht in de pastorale theologie van Paulus, dat wil zeggen: in zijn benadering van de van de diverse onderwerpen en problemen in zijn gemeenten. Hij bekijkt alles vanuit het perspectief van zijn eigen geloof in God en Christus, waaruit ook zijn opvattingen over de mens en verlossing voorkomen.11
• 1 Corinthians is, in literary terms, Paul’s greatest achievement, perhaps the finest single piece of writing in the New Testament. It reaches one of its heights, beautifully coordinated to the specific circumstances addressed, in the description of the Church as the body of Christ, animated by a single, divine Spirit (1 Corinthians 12:12-30), that guides believers better than the Torah.12

Tijdvak
56 n. Chr.

Schrijver
Paulus, samen met Sostenes, waarschijnlijk zijn secretaris en medewerker (1:1).

Stad
Korinthe ligt in het zuiden van het huidige Griekenland, (in de Bijbel vaak Achaje13 genoemd), in het smalle gedeelte waar het schiereiland begint. Het noorden werd destijds Macedonië genoemd. Zowel in het noorden als zuiden van de stad liggen een aantal havensteden, waar Kenchreeën de bekendste van is, zodat het een belangrijk onderdeel uitmaakte van de internationale handelsroute en dus ook een handelsstad was.

De stad Korinthe werd omstreeks 146 v. Chr. door de Romeinen verwoest en 100 jaar later liet Julius Ceasar haar weer opbouwen. Er vestigde zich een grote bevolking van kolonisten, hoofdzakelijk vrijgelaten slaven uit Rome. Daarbij voegden zich een aantal Grieken en er was een Joodse kolonie. In Paulus’ tijd waren er al meer dan 700.000 inwoners, voor een groot deel slaven. Zowel door het feit dat Korinthe een handelsstad en havenstad was en de bontgeschakeerde bevolking, maakte van de stad een plaats van zedeloosheid en uitwassen. De stad stond wel bekend om z’n hoge cultuur en rijkdom (kunstacademies, gehoorzalen, filosofie scholen, etc.), maar dit hield het zedelijk bederf niet tegen. Bekende uitdrukkingen als ‘een Korinthisch drankfeest’ en ‘drinken als een Korinthiër’ waren spreekwoordelijk. Ook de uitdrukking ‘doen als een Korinthiër’ zou slaan op het plegen van ontucht.

Ontstaan van de gemeente
Paulus heeft de gemeente in Korinthe gesticht tijdens zijn tweede zendingsreis. We vinden dit verhaal in Hand. 18:1-17 (zie ook 1 Kor. 4:15). Volgens zijn vaste gebruik predikte hij eerst in de plaatselijke synagoge met het doel bekeerlingen (volgelingen van Jezus) te maken (18:4). Nadat Silas en Timoteüs zich bij hem aansloten (18:5) wijdt hij zich fulltime aan de prediking. Door het heftige verzet van de joden, besloot hij zich alleen nog maar tot de heidenen (niet-joden) te wenden en zien we het begin van een (huis) gemeente bij Titius Gajes (18:7, zie ook Rom. 16:23 en 1 Kor. 1:14). Velen kwamen tot bekering en lieten zich dopen (18:8). Paulus verblijft 18 maanden in Korinthe (18:11) totdat de joden zich zo hevig tegen Paulus verzetten, dat ze hem voor de landvoogd brengen. Enige dagen later vertrekt Paulus uit Korinthe en gaat naar Efeze (18:19) en weer terug naar Antiochië (18:22). Daarmee was zijn tweede zendingsreis ten einde. Het lijkt erop dat Paulus geen oudsten heeft aangesteld in deze gemeente in deze periode. Daarop wijzen o.a. de tekst in 6:5, waar de gemeenteleden recht gaan zoeken bij de ongelovigen. Ook worden geen oudsten genoemd of aangesproken op hun verantwoordelijkheid bij de problemen in de gemeente. Aan het eind van de eerste brief aan Korinthe lijkt Paulus drie mensen aan te bevelen om de leiding op zich te nemen en door de gemeente ook geaccepteerd te worden (16:15-18).

Vier brieven
Paulus heeft in totaal vier brieven naar de gemeente in Korinthe geschreven. Daaruit blijkt een grote (emotionele en pastorale) betrokkenheid en toewijding van Paulus bij deze gemeente. Wellicht hadden ze deze extra zorg ook wel nodig, gezien de hoeveelheid problemen die ze hebben.

De eerste brief is niet bewaard gebleven. Paulus noemt deze in 1 Kor. 5:9, waarin hij ook al problemen aan de orde stelt en adviezen geeft. (5:9-10). Het lijkt erop dat er niets is veranderd op het gebied van de ernstige (dus niet alleen de seksuele) zonden. Geldgierigen, oplichters en afgodendienaars worden veroordeeld in de eerste (verloren gegane) brief.

Vanuit Efeze schreef Paulus de tweede brief (onze eerste), n.a.v. een brief met vragen die de gemeente aan Paulus had geschreven en die door drie broeders is bezorgd (16:17). Met deze brief wil Paulus antwoord geven op hun vragen en hen ook op de hoogte stellen van een gepland bezoek van Paulus aan de gemeente. Hij wilde via Macedonië naar Korinthe komen en daar overwinteren (16:5-7). Mogelijk wil Paulus in die tijd ook oudsten aanstellen, zoals hij vaak deed bij een tweede bezoek aan een door hem gestichte gemeente. Blijkbaar is dit tweede bezoek op een teleurstelling uitgelopen, want Paulus waarschuwt dat hij bij een volgend bezoek ‘niets zal ontzien’ (2 Kor. 13:2). Vanaf dit punt wordt de geschiedenis ingewikkeld, maar met de gegevens uit 2 Korinthiërs komen wij tot de volgende reconstructie. Het lijkt erop dat Paulus had besloten om zijn volgende en laatste bedoelde reis naar Macedonië te laten beginnen bij Korinthe en na Macedonië ook een tweede keer naar Korinthe terug te keren (2 Kor. 1:15-16). Omdat de berichten vanuit Korinthe na zijn teleurstellende bezoek ongunstig bleven, besloot hij zijn plan te wijzigen en eerst naar Macedonië te gaan. Hij wilde niet nog eens zo’n confronterend bezoek brengen. Dit werd de Korinthiërs meegedeeld in een ‘tranenbrief’ (2 Kor. 2:3-4), die ook verloren is gegaan. Pas rond de zomer van 57 gaat hij vanuit Efeze opnieuw op reis via Macedonië met bestemming Korinthe (verg. Hand. 20:1-3). Ergens vanuit Macedonië schrijft hij zijn vierde (de tweede bewaard gebleven) brief aan de Korinthiërs en stuurt deze vooruit naar de gemeente. Of hij bij zijn aankomst uiteindelijk oudsten aanstelt is niet te bewijzen, maar het is wel waarschijnlijk. Temeer als wij rekening houden met een brief van de kerk van Rome gericht aan de gemeente van Korinthe omstreeks het jaar 69. In dat jaar vermaant de kerk van Rome de gemeente van Korinthe, omdat er een aantal door de apostelen aangestelde oudsten onwettig afgezet is (zie 1 Clemens 44.47.57). Zelfs 12 jaar na het laatste bezoek van Paulus blijkt de gemeente nog steeds problemen te ondervinden in de onderlinge relaties van de leden.

Belangrijkste thema’s
1.1. aanleiding van de brief
De aanleiding voor deze brief is een brief met vragen die de gemeente aan Paulus heeft gestuurd (7:1). Zij hadden een aantal vragen en problemen waar ze van Paulus een antwoord verwachten. Bovendien heeft hij verhalen (roddels) gehoord (1:11 en 5:1) over aanvullende problemen die er in de gemeente zouden spelen die de gemeente zelf niet noemt in hun brief. Deze stelt Paulus ook aan de orde.

1.2. problemen in de gemeente
Het is opvallend dat Paulus verkiest eerst de problemen te bespreken die hem niet door de afvaardiging van de gemeente, noch door hun brief, ter ore zijn gekomen. Hiermee geeft hij een duidelijk signaal dat zij enkele van de meest ernstige problemen op zijn minst onderschatten. Aan het probleem van twisten en persoonsverheerlijking wijdt hij niet minder dan vier hoofdstukken. Wat veel lezers van deze brief opvalt is, dat uit de rest van de brief niet te bespeuren is hoe en zelfs óf de ‘partijen’ inhoudelijk van elkaar verschilden.

In ieder geval, na de problemen van de twisten uitgebreid besproken te hebben, eindigt Paulus met een waarschuwing dat als de Korinthiërs niet willen dat hij met zijn stok (4:21), het vaderlijke tuchtmiddel, komt, zij hun zelfvoldaanheid moeten loslaten.

1.2.1. problemen door Paulus gesignaleerd
• Het probleem van de onderlinge twisten en grove zonden (1:10-6:20).
De volgende drie problemen heeft Paulus in antwoorden aan de gemeente tussengevoegd.
• Hoofdbedekking bij bidden en profeteren (11:2-16)
• Misbruiken bij het avondmaal (11:17-34)
• De opstanding van de doden (15)

1. Onderlinge twisten en grove zonden.
Probleem: twisten (1:11), ze zijn vleselijk (3:3), nijd en twist (3:3), ze zijn opgeblazen (4:18 en 5:2), hoererij (5:1 en 6:16), roemen in de verkeerde dingen (5:6), met verkeerde mensen omgaan (5:10), recht zoeken bij de ongelovigen (6:6).
Oplossing: weest eenstemmig en laten er geen scheuringen zijn (1:10), bedroeven (5:2), hoereerder uit uw midden verwijderen (5:2), het oude zuurdeeg weg doen (5:7), niet met zondaars omgaan of eten (5:11), wijze mensen zoeken om een uitspraak te doen (6:5), ontvlucht de hoererij (6:18), verheerlijk God met je lichaam (6:20).

2. Hoofdbedekking.
Probleem: mannen bidden of profeteren met bedekte hoofden (11:4), vrouwen bidden of profeteren met onbedekte hoofden (11:5).
Oplossing: onbedekte hoofden voor de mannen en bedekte hoofden voor de vrouwen (11:7,10)

3. Misbruiken avondmaal.
Probleem: verdeeldheid (11:18), hongerig of dronken aan het avondmaal (11:21), op onwaardige wijze aan het avondmaal deelnemen (11:27).
Oplossing: thuis eten (11:34), zich zelf beproeven (11:28), op elkaar wachten (11:33).

4. Opstanding der doden.
Probleem: zeggen dat er geen opstanding der doden is (15:12), zinloosheid (15:32)
Oplossing: de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden (15:52), standvastig en onwankelbaar zijn (15:58). God zal ons opwekken door zijn kracht (6:14).

1.2.2. Onderwerpen (problemen) door de gemeente aangedragen
Deze punten zijn te herkennen aan het feit dat ze beginnen met de zinsnede: “Wat nu de punten betreft” of “ten aanzien van”. Dit wordt vijf keer genoemd.
• Omgaan met een vrouw (7:1)
• Het eten van (offer)vlees (8 tm 10)
• De geestelijke gaven (12 tm 14)
• De collecte voor de heiligen (16:1-9)
• De komst van broeder Apollos (16:12)

1. Omgaan met een vrouw.
Probleem: Wel of niet trouwen? Wel of niet scheiden? Wel of niet seksueel contact met een vrouw?
Oplossing: Het huwelijk is goed en verstandig (7:2). Seksueel contact binnen het huwelijk is normaal en gewenst (7:3). Ongetrouwd blijven is ook goed (7:7). Trouwen is beter dan branden van begeerte (7:9). Echtscheiding is niet Gods wil, ook niet als de partner ongelovig is (7:10-13). De staat waarin je bent als de Here je roept, is de juiste (7:17).

Dit lijken eenvoudige oplossingen, maar in de jaren en eeuwen die daarna kwamen, werd het celibaat en de seksuele onthouding als belangrijker verkondigd, wat de aanzet tot het verplichte celibaat voor geestelijken heeft geleid. Dit is vooral gebaseerd op de uitdrukking over de ‘onverdeelde toewijding aan de Here” uit 7:35. Dit schrijft Paulus volgens mij met het oog op zijn eindtijdverwachting, dat er nog maar weinig tijd was (7:29-31).

2. Het eten van offervlees.
Probleem: Mag er offervlees gegeten worden? (8:4).
Oplossing: Alle vlees mag gegeten worden (10:25). Als je weet dat het gewijd offervlees is, is het beter om het niet te eten (10:28).

Vraag: Hoe kun je deze tekst vandaag de dag toepassen?

3. De geestelijke gaven14.
Probleem: Oplossing:
onkunde (12:1), Instructie door Paulus (12:1)
gebrek aan liefde (13:1-13), liefde (13:1-13)
teveel nadruk op spreken in tongen (14:9 en 14:19), meer profeteren (14:5)
geen vertaling van spreken in tongen (14:13 en 14:28), vertaling, anders zwijgen (14:13)
geen toetsing van profetie (14:29) toetsing (14:29)
geen orde (14:33 en 14:40), orde (14:33 en 14:40)
sprekende vrouwen (14:34), zwijgen en thuis vragen (14:34-35)

Het probleem met de gaven: uit deze hoofdstukken blijken een aantal problemen. Ten eerste zijn alle gaven even belangrijk. Ten tweede zijn de gaven geen persoonlijk bezit van de ontvanger. Ten derde hebben de gaven een duidelijk doel. Ten vierde hebben gaven geen zin zonder de liefde. Tenslotte, is orde ook heel belangrijk.

Deze tekst van “de vrouwen moeten zwijgen in de gemeente” (14:34) is vaak gebruikt om alle vrouwen uit te sluiten van taken in de gemeente. Dat is hier niet aan de orde. De context van dit gedeelte is het gebruik van de geestelijke gaven en volgens Joël 2:28-31 zullen zowel de mannen als de vrouwen profeteren. Daarmee kunnen vrouwen ook niet uitgesloten worden van het gebruik van de geestelijke gaven (zie Hand. 2:14-21). Bedoeld wordt waarschijnlijk15 het gebruik in de gemeente van Korinthe dat de vrouwen luidruchtig waren en door de dienst heen vragen aan elkaar gingen stellen. Daarmee werden de diensten zeer wanordelijk. Door te zwijgen (als anderen aan het woord waren) werd dit probleem opgelost. Er is m.i. geen sprake van een absoluut zwijgen. De hele context van dit gedeelte is hoe de orde in de gemeente weer hersteld kan worden in de wekelijkse diensten.

4. De collecte.
Probleem: Hoe moeten wij geld inzamelen? (16:1).
Oplossing: Elke eerste dag van de week naar vermogen thuis (!) iets wegleggen (16:2).

5. De komst van Apollos.
Probleem: Apollos wilde niet naar de gemeente in Korinthe komen (16:12).
Oplossing: Hij zal komen zodra het hem uitkomt (16:12).

Sleutelwoord
Gemeente-organisatie
Sleutelvers
“Een ander fundament, dan die er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen” (3:11)

Indeling
Inleiding, hfdst. 1:1-9
1. De verschillen in de gemeente, hfdst. 1:10-4:21
2. Het peil van de moraal in de gemeente, hfdst. 5-10
3. Kerkelijke en dogmatische vragen van de gemeente, hfdst. 11:15
Slot, zakelijke en persoonlijke opmerkingen, hfdst. 16


2. De tweede brief aan de Korinthiërs.
Algemeen
• Second Corinthians: human frailty can overcome weakness and trial through God’s presence and grace.16
• Profiel van een evangeliedienaar17
• Kan men van de Eerste brief aan de Korinthiërs zeggen dat het een ‘document over de kerk’ is, waarin Paulus regels geeft voor een harmonische ontwikkeling van de gemeente, deze Tweede brief zou men een ‘document van het apostel-ambt’ kunnen noemen. Ook brengt deze brief ons meer dan al zijn andere brieven nader tot de persoon van Paulus.18

Schrijver
Paulus, samen met Timoteüs (1:1).

Belangrijkste thema’s
• Een definitief afdoen met vroegere problemen en fouten. Paulus geeft uiting aan zijn vreugde over het berouw van de Korinthiërs: 1:6-7; 7:2-16.
• Voorbereiding van de grote inzameling voor de armen van de gemeente in Jeruzalem: 8:6; 9:1-15.
• Verdediging van het apostelambt, dat door tegenstanders van Paulus aangevallen werd: hfdst. 10-12.
• Aankondiging van zijn aanstaande (derde) bezoek: 13:1-10.

Sleutelwoord
dienen

Sleutelvers
“Daarom, nu wij deze bediening hebben, die ons door barmhartigheid is toevertrouwd, verliezen wij de moed niet…” (4:1)

Indeling
Inleiding, hfdst. 1:1-11
1. De apostel gerustgesteld (misverstanden opgehelderd), hfdst. 1:12-7:16
2. De apostel in zorg (hulpverlening aan de gemeente van Jeruzalem), hfdst. 8-9
3. De apostel rekent af (met Judaïserende tegenstanders), hfdst. 10:1-12:18
Slot, hfdst. 12:19-13:13

3. De brief aan de Galaten
Algemeen
Galatians reaffirms salvation by grace alone, and that saving faith is to be expressed as living faith19

Schrijver
Paulus (1:1).

Ontstaan van de gemeente
Gesticht door Paulus in het begin van zijn tweede en derde zendingsreis. (Hand. 16:6, 18:23)

Sleutelwoord
vrijheid

Sleutelvers
“Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen.” (5:1)

Indeling
Inleiding, hfdst. 1:1-10
1. Paulus bewijst, dat hij een waar apostel van Jezus Christus is, hfdst. 1:11-2:21
2. Paulus verkondigt het ware Evangelie van Jezus Christus, hfdst. 3:1-18
3. De plaats van de wet in Gods plan, hfdst. 3:19-4:31
4. Rechtvaardiging door geloof en: hoe te leven, hfdst. 5:1-6:10
Slot, hfdst. 6:11-18

4. De brief aan de Efeziërs
Algemeen
Ephesians details the resources and means by which Christ’s church fulfills her call.20

Schrijver
Paulus (1:1).

Ontstaan van de gemeente
Gesticht door Paulus (Hand. 19:8-10 en 20:18-38), waar hij 2 jaar verbleef.

Sleutelwoord
gemeente

Sleutelvers
“En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.” (1:22-23)

Indeling
Inleiding, hfdst. 1:1-2
1. Dogmatisch gedeelte: de gemeente van Jezus Christus, hfdst. 1:3-3:21
2. Vermanend, praktisch gedeelte, hfdst. 4:1-6:20
Slot, hfdst. 6:21-24

5. De brief aan de Filippenzen
Algemeen
Philippians: the renewed mind is a key to harmony in relationships and to victory in daily living.21

Schrijver
Paulus en Timoteüs (1:1).

Ontstaan van de gemeente
Gesticht door Paulus (Hand. 16:12-40 en 20:6). Zij steunden hem financieel (2:25, 4:10,18).

Sleutelwoord
vreugde

Sleutelvers
“Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!” (4:4)

Indeling
Inleiding, hfdst. 1:1-11
1. Persoonlijke mededelingen, hfdst. 1:12-26
2. Aansporingen tot een volmaakte levenswandel, hfdst. 1:27-2:18
3. Mededelingen over de medearbeiders, hfdst. 2:19-30
4. Waarschuwingen voor de gemeente, hfdst. 3:1-4:3
5. Aansporingen voor de gemeente, hfdst. 4:4-9
Slot, hfdst. 4:10-23

6. De brief aan de Kolossenzen
Algemeen
Collosians sets forth the universal lordship of Christ in creation, in the church, and in salvation.22

Schrijver
Paulus en Timoteüs (1:1).

Ontstaan van de gemeente
Onbekend. Paulus kent de gemeente niet (1:4 en 2:1). Wellicht gesticht door Epafras (1:7).

Sleutelwoord
volkomenheid

Sleutelvers
“Want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk.” (2:9)

Indeling
Inleiding, hfdst. 1:1-12
1. Leerstellig gedeelte: Christus de Heer, hfdst. 1:13-29
2. Vermanend gedeelte: de gemeente, hfdst. 2:1-23
3. Praktisch gedeelte: de Christus, hfdst. 3:1-4:6
Slot: persoonlijke mededelingen, hfdst. 4:7-18

7. De eerste brief aan de Tessalonicenzen
Algemeen
The Thessalonian epistles balance the truths that kingdom graces are present now, but kingdom glory is yet to come.23

Schrijver
Paulus en Silvanus en Timoteüs (1:1).

Ontstaan van de gemeente
Gesticht door Paulus (Hand. 17:1-10).

Sleutelwoord
wederkomst

Sleutelvers
“Moge Hij uw harten versterken, zodat zij onberispelijk zijn in uw heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen.” (3:13)

Indeling
1. Persoonlijk deel (Paulus en de Tessalonicenzen), hfdst. 1-3
2. Leerstellig deel (vermaning en onderwijzing), hfdst. 4-5

8. De tweede brief aan de Tessalonicenzen
Algemeen
The Thessalonian epistles balance the truths that kingdom graces are present now, but kingdom glory is yet to come.24

Schrijver
Paulus en Silvanus enTimoteüs (1:1).

Sleutelwoord
tekenen

Sleutelvers
“Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren.” (2:3)

Indeling
1. Persoonlijk deel (een woord voor allen), hfdst. 1
2. Leerstellig deel (een woord voor de dwepers), hfdst. 2
3. Praktisch deel (een woord voor de gemeente), hfdst. 3

De pastorale brieven
De brieven aan Timoteüs en Titus worden de pastorale (herderlijke) brieven genoemd, omdat de inhoud ervan voornamelijk bestaat uit inlichtingen en aanwijzingen voor de organisatie en leiding van de christelijke gemeente. De pastorale brieven zijn de enige brieven die Paulus schreef aan uitsluitend medearbeiders in het Koninkrijk van God. Daarin onderscheiden zij zich van al zijn andere brieven, ook van die aan Filemon, want dat is een zuiver persoonlijke brief.

Schrijver
Wie de auteur van deze brieven is, wordt duidelijk uit de brieven zelf. Daarin treedt Paulus tegemoet als:
• apostel van Jezus Christus, 1 Tim. 1:1 en 2 Tim. 1:1
• dienstknecht van God en apostel van Jezus Christus, Titus 1:1
• prediker, apostel en leraar voor de heidenen, 2 Tim. 1:1
• vriend van Timoteüs’ familie, 2 Tim. 3-5
• geestelijk vader van Timoteüs en Titus, 1 Tim. 1:2, 2 Tim. 1:2, Titus 1:4
• degene die Timoteüs heeft bevestigd, 2 Tim. 1:6
• leraar van Timoteüs en Titus, 2 Tim. 3:10, Titus 1:4-5
• gevangene te Rome, 2 Tim. 1:8, 17

9. De eerste brief aan Timoteüs
Algemeen
Paul’s letters to Timothy mark the path of practical, obedient behaviour, especially for church leaders.25

Sleutelwoord
herderschap

Sleutelvers
“Zie toe op uzelf en op de leer, volhard in deze dingen!” (4:16)

Indeling
1. Adressering en zegenbede, hfdst. 1:1-2
2. Regels voor de gemeente, hfdst. 2:1-3:16
3. De juiste houding van de gemeente, hfdst. 4:1-11
4. De goede zielszorg, hfdst. 4:12-6:2
5. Tegen de vrome zelfzucht, hfdst. 6:3-21

10. De tweede brief aan Timoteüs

Algemeen
Paul’s letters to Timothy mark the path of practical, obedient behaviour, especially for church leaders.26

Tijdvak
67 n. Chr. Dit wordt beschouwd als de laatste brief van Paulus.

Sleutelwoord
trouw

Sleutelvers
“En is iemand kampvechter, dan ontvangt hij de krans alleen, als hij volgens de regels van de kamp heeft gestreden.“ (2:5)

Indeling
Inleiding: adressering en zegengroet, hfdst. 1:1-2
1. Aansporing om trouw te zijn, hfdst. 1:3-2:13
2. Aanmaning, tegen de dwaalleraars te strijden, hfdst. 2:14-4:8
Slot: opdrachten, mededelingen en groeten, hfdst. 4:9-22

11. De brief aan Titus
Algemeen
Titus and Philemon characterize practical healthy relationships among the faithful.27

Tijdvak
66 n. Chr.

Sleutelwoord
verantwoording

Sleutelvers
“Opdat de tegenstander tot zijn beschaming niets ongunstig van ons hebbe te zeggen.” (2:8)

Indeling
Inleiding, 1:1-4
1. Vermaningen aan het adres van de gemeenteleiders, hfdst. 1:5-16
2. Vermaningen aan het adres van de gemeenteleden, hfdst. 2:1-3:11
Slot: persoonlijke vraag, opdrachten, groeten, hfdst. 3:12:15

12. De brief aan Filemon
Algemeen
Titus and Philemon characterize practical healthy relationships among the faithful.28

Schrijver
Paulus.

Sleutelwoord
broederschap

Sleutelvers
“…nu niet meer als slaaf, maar als meer dan slaaf, als een geliefde broeder.” (v.16)

Indeling
1. Inleiding, vers 1-7
2. Thema, vers 8-21
3. Slot, vers 22-25


Dateringen brieven van Paulus

A: Todd Wilson,De apostel Paulus
B: Jack Hayford, The Hayford Bible Handbook
C: Ernst Aebi, orte inleiding tot de Bijbelboeken

Brieven: A: B: C:
Romeinen 55 56/57 voorjaar 56
1 Korinthiërs 52 56 lente 55
2 Korinthiërs 52 56 winter 55/56
Galaten 50 49 begin 54
Efeziërs 59 60 eind 60, begin 61
Filippenzen 59 62 eind 61, begin 62
Kolossenzen 59 61 eind 60, begin 61
1 Tessalonicenzen 50 51 begin 51
2 Tessalonicenzen 50 51 eind 51
1 Timoteüs 61 62 63
2 Timoteüs 65 67 64
Titus 61 66 64
Filemon 59 61

NB, andere theologen kunnen tot andere dateringen of zelfs auteurschap komen.

Voetnoten:4 Fee, Gordon D., How to Read the Bible for All Its Worth (Hoofdstuk 3).
5 The Hayford Bible Handbook, p.356
6 De wetenschap die zich bezighoudt met het opstellen van de regels voor de exegese.
7 Hayford, Jack, The Hayford Bible Handbook, p.354
8 Anderson, R.Dean, 1 Korinthiërs, subtitel van het boek
9 Aebi, Ernst, Korte inleiding tot de bijbelboeken, p.135
10 Todd Wilson, De apostel Paulus, p.16
11 De apostel Paulus, p.14
12 Chilton, Bruce & Good, Deidre, Starting New Testament Study, p.69
13 Hand. 18:12, 27; 19:21; Rom. 15:26; 1 Kor. 16:15; 2 Kor. 1:1; 9:2; 11:10; 1 Tess. 1:7v.
14 Zie ook Woord en Geest, p.346-379, voor het gedeelte over 1 Korinthiërs, p.350-365.
15 Zie het boekje met het officiële standpunt van ‘Foursquare’ over de plaats van de vrouw: Women in Leadership Ministry. Hier worden diverse teksten over de vrouw in de gemeente behandeld.
16 The Hayford Bible Handbook, p.363
17 Spanje, T.E. van, 2 Korinthiërs, subtitel van het boek
18 Korte inleiding tot de bijbelboeken, p.140
19 The Hayford Bible Handbook, p. 371
20 The Hayford Bible Handbook, p. 378
21 The Hayford Bible Handbook, p. 387
22 The Hayford Bible Handbook, p. 392
23 The Hayford Bible Handbook, p. 398
24 The Hayford Bible Handbook, p. 398
25 The Hayford Bible Handbook, p. 409
26 The Hayford Bible Handbook, p. 409
27 The Hayford Bible Handbook, p. 419
28 The Hayford Bible Handbook, p. 419

Het leven van Paulus

Leerdoelen:

· Een globaal overzicht geven van het leven en de reizen van de apostel Paulus.
· Een overzicht geven van de grote lijnen van de twee brieven van Paulus aan de gemeente in Korinthe.
· Enkele algemene principes behandelen die betrekking hebben op (bijna) alle brieven van Paulus.

Inleiding:
Dit artikel beschrijft het leven en de reizen van Paulus. In een volgend artikel geef ik een kort overzicht van de brieven van Paulus.

Thema’s:

De volgende thema’s komen aan bod: het leven van Paulus, zijn reizen en zijn brieven.

1. Leven van Paulus

1.1. Persoon

Paulus heeft een grote rol gespeeld in de verbreiding van het christelijke geloof en het schrijven van grote delen van het Nieuwe Testament. Kennis van zijn persoon en leven kan helpen om zijn brieven beter te begrijpen. Vaak hebben we een beeld van hoe Paulus was, gebaseerd op sommige van zijn uitspraken of de onvolledige interpretatie van zijn uitspraken, dat dit geen recht doet aan de persoon en het werk van Paulus en de betekenis van hem voor de verspreiding van het christendom.

1.2. levensloop (3 fasen1)

1.2.1. geboorte en jeugd

Paulus is geboren in de stad Tarsus, de hoofdstad van de provincie Cilicië in het zuidoosten van het huidige Turkije. Volgens de woorden van Paulus in Hand. 21:39 ‘een welbekende stad” (NBG) of ‘niet onbelangrijke stad’ (NBV). Tarsus stond bekend als een centrum van wetenschap en was ook belangrijk in politiek, economisch en militair opzicht. Paulus was een Romeinse staatsburger, een belangrijk recht dat hij waarschijnlijk erfde van zijn ouders (of alleen van zijn vader). Deze rechten kwamen Paulus goed van pas tijdens zijn reizen en hij doet er ook een beroep op als hij in moeilijke omstandigheden zit (Hand. 16:37-39; 22:25-29; 25:7-12). Paulus had één zuster die in Jeruzalem woonde (Hand. 23:16). Het meest waarschijnlijke is dat Paulus nooit getrouwd is geweest (1 Kor. 7:8). Naast het Romeinse burgerschap was Paulus ook, en vooral een jood2, een feit waarover hij zich bij verschillende keerpunten in zijn brieven op beroept. Zo geeft hij in zijn brief aan de Filippenzen een samenvatting van zijn joodse afkomst: “besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeërs; naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk” (Fil. 3:5-6; zie Gal. 1:13-17; 1 Kor. 15:8-10; 2 Kor. 11:22; Rom. 11:1).

Paulus groeide op in Jeruzalem en kreeg daar een opleiding aan de voeten van Gamaliël, een vooraanstaande joodse schriftgeleerde (Hand. 22:3). Hij beschrijft zijn opleiding als ‘opgeleid met nauwkeurige inachtneming van de wet onzer vaderen’(Hand. 22:3). Dat betekent dat hij al zijn tijd had besteed aan het bestuderen van de joodse geschriften, het Oude Testament. Bovendien zegt Paulus dat hij zich vol overgave had ingezet voor het aloude bestuderen van de joodse geschriften en de mondelinge traditie, die hij de ‘vaderlijke inzettingen’ noemt (Gal. 1:14). Paulus was dus geen doorsnee-jood, maar was opgeleid volgens de bijzondere traditie van het judaïsme. Hij was een farizeeër met de wetsopvatting van de farizeeërs (Fil. 3:6). Farizeeërs waren, zoals Paulus erkent, een van de meest nauwgezette sekten van het judaïsme (Hand. 26:5). Ze waren bijvoorbeeld zeer strikt wat betreft rituele reinheid en nauwgezette naleving van de joodse wetten. Deze wettische opleiding had tot gevolg dat Paulus het joodse geloof fanatiek en ten koste van alles wilde beschermen.

Van beroep was Paulus ‘tentenmaker’ (Hand. 18:3; 20:34-35), wat inhield dat hij ook leerbewerker was, een vak dat hij waarschijnlijk tijdens zijn studietijd had geleerd. Paulus verdiende hetzelfde als andere handswerklieden, wat een bescheiden inkomen inhield. Toch was hij er trots op dat hij met zijn eigen handen werkte (1 Kor. 4:12), zodat hij de gemeenten geen financiële last hoefde op te leggen (1 Thess. 2:9, 2 Thess.3:8-9; 2 Kor. 6:5; 11:23; 1 Kor. 9:3-18). Hoewel hij recht had op vergoeding voor zijn dienst, predikte Paulus het Evangelie om niet (1 Kor. 9:18).

Het leven van Paulus in de periode vóór zijn bekering werd gekenmerkt door de vervolging van christenen (Gal. 1:13,23; 1 Kor. 15:9; Fil. 3:6; Hand. 22:4, 1 Tim. 1:13). Dit wordt uitvoerig beschreven door Lucas in Handelingen (8:3, 9:2; 22:4; 26:10-11). Maar waarom vervolgde Paulus de christenen? Wat stond hem zo tegen en waarom nam hij zulke buitengewone maatregelen om de gemeente van God te verwoesten (Gal. 1:13)? Wij krijgen de indruk dat deze daad van vervolging voortkwam uit zijn extreme ijver voor de ‘vaderlijke inzettingen’ (Gal. 1:14; Fil. 3:5-6; Hand. 22:3-4). Paulus was een fanatieke farizeeër, die de aanbidding door de eerste christenen van een gekruisigde en (onmiskenbaar) vervloekte crimineel (zie Deut. 21:23) als uiterst schandelijk beschouwde (zie 1 Kor. 1:17, 18, 23). Paulus nam blijkbaar ook aanstoot aan de manier waarop de bekeerlingen tot het christendom met de joodse wetten omgingen. Hoewel het niet waarschijnlijk is dat de joodse bekeerlingen geheel afstand hebben genomen van hun vroegere levenswijze, weten we dat ze anders tegen de wet hebben aangekeken, vanwege het werk van Christus. Ze zullen ook een andere visie hebben gekregen op niet-joden, en hun houding tegenover hen hebben gewijzigd. Dit alles wekte ongetwijfeld de woede op van een fanatieke jood als Paulus.

1.2.2. bekering

Toen Paulus op de weg naar Damascus, om de gemeente daar te vervolgen, werd geconfronteerd (op een spectaculaire manier) met de opgestane Jezus Christus, vond er een radicale verandering plaats in zijn leven. Het is opmerkelijk dat de bekering van Paulus op drie plaatsen in het boek Handelingen wordt beschreven (Hand. 9, 22 en 26), terwijl het boek Handelingen geen biografie van Paulus is. In deze verhalen vallen diverse aspecten op:

1. Paulus’ bekering ging vergezeld van een specifieke roeping om het Evangelie aan de heidenen te brengen. Hij werd dus niet alleen bekeerd, maar geroepen (apart gezet) om te dienen als een ‘uitverkoren werktuig’ van Christus om Zijn Naam aan de heidenen bekend te maken (Hand. 9:15).

2. Paulus zou veel moeten lijden omwille van het Evangelie. De opgestane Heer zegt tegen Ananias: “Ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet terwille van mijn naam.” (Hand. 9:16). Zoals zijn levensloop en de inhoud van zijn brieven aantonen werd de bediening van Paulus bepaald door zijn bereidheid om ontberingen te verduren omwille van het Evangelie voor de heidenen.

In Galaten 1:13 – 2:10 is Paulus heel summier over zijn bekering, en beschrijft meer wat voor gevolgen dit voor zijn leven en bediening heeft gehad. Paulus zegt ook nadrukkelijk (zie Jer. 1:1:5) dat hij al geroepen was door God vanaf zijn geboorte. We zullen zien dat ook in zijn nieuwe roeping Paulus zich voor meer dan 100% geeft.

1.2.3. voorbereiding en eerste optreden

Na zijn ontmoeting met de opgestane Jezus, bleef Paulus ‘enige dagen’ in Damascus, waar hij in de plaatselijke synagoge verkondigt dat Jezus de Zoon van God is (Hand. 9:19-20). Dat wekte eerst verbazing, maar later vijandschap, want Handelingen vertelt ons dat de joden daar van plan waren hem te doden (9:23). Daarom moest Paulus Damascus in het geheim verlaten (Hand. 9:25, 2 Kor. 11:33). Van daar reist hij verder naar Arabië (Gal. 1:17), dit gedeelte wordt niet vermeld in Handelingen 9. Dit wordt wel het ‘tijdgat in Handelingen’ genoemd. We weten niets van het doel en de duur van zijn verblijf in Arabië, maar we kunnen ons voorstellen dat hij daar verder nagedacht heeft over de betekenis en de gevolgen van zijn ontmoeting met de opgestane Heer. In elk geval ging Paulus daarna weer naar Damascus en vandaar pas drie jaar later naar Jeruzalem. In Jeruzalem werd hij voorgesteld aan de leiders van de vroege kerk: Petrus (in het Aramee: Cefas) en Jacobus, de broer van Jezus (Gal. 1:18-19; vgl. Hand. 9:26-30). Hier begin klaarblijkelijk ook zijn vriendschap met Barnabas met wie hij later zal gaan reizen. Na een kort verblijf van slechts vijftien dagen in Jeruzalem (waar ze hem weer willen ombrengen, Hand.9:28) ging Paulus terug naar zijn geboortestad Tarsus in Cilicië. Van daar werd hij door Barnabas speciaal opgezocht en meegenomen naar de gemeente in Antiochië (Hand. 11:25-26; Gal. 1:21). Antiochië werd vervolgens Paulus’ uitvalsbasis voor zijn zendingsreizen en zijn apostelschap in de komende jaren. Antiochië was de hoofdstad van Syrië en de derde stad in het Romeinse rijk. Deze stad zou ook nog eeuwen lang invloedrijk zijn in de geschiedenis van het Christendom.

Hier zien we het begin van de financiële ondersteuning van de gemeente in Jeruzalem (Hand. 11:29-30), een onderwerp wat in diverse brieven van Paulus terugkomt (Rom. 15:25-28; 1 Kor. 16:1-3; 2 Kor. 9:1-15).

1.2.4. eerste zendingsreis

Uit het overzicht in Handelingen weten we dat Paulus drie zendingsreizen heeft ondernomen. Dat waren georganiseerde pogingen om de blijde boodschap steeds verder westwaarts te verkondigen, in overwegend niet-joodse gebieden waar het Evangelie nog niet was doorgedrongen. De details van zijn eerste reis, die enkele jaren duurde, zijn beschreven in de hoofdstukken 13 en 14 van het boek Handelingen. Uitgezonden door de gemeente van Antiochië, reisden Paulus en Barnabas eerst naar Cyprus en daarna naar Klein-Azië (het huidige Turkije) om het evangelie te verkondigen in steden als Antiochië in Pisidië, Lystre, Derbe en Ikonium.

1.2.5. vergadering in Jeruzalem (Hand. 15)

Handelingen 15 kan gezien worden als een keerpunt in de nog jonge geschiedenis van de eerste gemeente, in ieder geval in theologisch opzicht. In de kerk in Antiochië, waar Paulus en Barnabas werkzaam waren, waren er broeders uit Judea gekomen die leerden dat om behouden te zijn, je besneden moest zijn (Hand. 1:1). Vanwege het verzet van vooral Paulus en Barnabas tegen deze opvatting, ontstond er een geschil. Daarom werd een afvaardiging van deze gemeente naar de ‘moederkerk’ in Jeruzalem gestuurd om de apostelen en oudsten deze kwestie voor te leggen. In Jeruzalem breekt dezelfde discussie en woordenstrijd uit en veel verschil van mening (17:7), waarna tenslotte Petrus wijze woorden spreekt en vertelt van zijn ervaringen met de heidenen, zowel in Ceasarea (Hand. 10:1-43) als wat ze zelf hebben meegemaakt op de eerste Pinksterdag (Hand. 2:4). Nadat Paulus en Barnabas vertelden wat God allemaal aan tekenen en wonderen doet onder de heidenen (15:12), spreekt Jacobus, de broer van Jezus, de verlossende woorden, dat de heidenen die zich tot God bekeren, niet lastig gevallen hoeven te worden met de joodse rituele wetten. (15:19). Wel worden er vier algemene bindende regels gegeven waar zij zich aan moeten houden, nl. ‘zich onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed’ (15:20). Dit is een overwinning voor Paulus, wat hij in Gal. 2:4-5 de ‘vrijheid in Christus Jezus’ en de ‘waarheid van het evangelie’ noemt. De uitkomst wordt op papier gezet en met een aantal mensen uit Jeruzalem wordt deze brief naar de gemeente in Antiochië gestuurd en voorgelezen (15:30).

Vraag: Wat leert dit ons om met theologische meningsverschillen om te gaan? (binnen één gemeente? Binnen een denominatie? Tussen kerkgenootschappen?) Is er ruimte voor conflicten? Is er ruimte voor dialoog en verschillen?

Later doet zich weer een incident voor, wanneer Petrus de gemeente in Antiochië bezoekt en weer het conflict tussen de besneden en onbesnedenen zich voordoet. Ook hier reageert Paulus heel principieel en later confronteert hij Petrus openlijk hiermee. (Gal. 2:11-14). In de Galatenbrief introduceert Paulus ook de term ’een ander evangelie’ waar hij zich fel tegen verzet.

1.2.6. tweede zendingsreis

Op zijn tweede reis, die ongeveer vier jaar duurde, bereikte Paulus Macedonië en Griekenland. Tijdens deze reis bracht hij achttien maanden door in Korinthe (Hand. 15:36-18:22). Paulus besteedde een deel van deze reis aan het bezoeken van enkele van de gemeenten die hij op zijn eerste reis had gesticht.

1.2.7. derde zendingsreis

Ook Paulus’ derde reis begon in Antiochië (Hand. 18:22-23:35). De reis voerde naar Efeze, waar Paulus minstens drie jaar woonde, leerde en evangeliseerde (Hand. 19).

1.2.8. reis naar Jeruzalem, arrestatie en gevangenschap

Na zijn terugkeer ging hij naar Jeruzalem, werd daar gearresteerd en uiteindelijk naar Rome gezonden om terecht te staan voor de keizer. Daar eindigt Handelingen nogal abrupt (zie Hand. 21-28).

1.2.9. vrijlating

Men denkt dat Paulus uit deze gevangenschap is vrijgelaten (2 Tim. 4:16-17) en mogelijk naar Spanje is gereisd, wat in ieder geval zijn verlangen was (Rom. 15:24,28). Dit wordt soms de vierde zendingsreis genoemd, maar hier is te weinig over bekend.

1.2.10. tweede gevangenschap en dood

Daarna is Paulus opnieuw gevangengenomen en in 67 of 68 ter dood is gebracht door Nero. In 2 Tim. 4:6-7 is hij zich hier al van bewust, maar ook in het besef wat hem wacht. (4:8).

1.3. Paulus’ medewerkers

Omdat we Paulus kennen als een pionier op het zendingsveld, beschouwen we hem soms als een solitaire figuur, maar de werkelijkheid was geheel anders. Paulus deed zijn zendingswerk samen met een netwerk van medewerkers. Paulus noemt deze medewerkers vaak bij naam, meestal in de inleiding van zijn brieven. Hij noemt onder anderen Sosthenes (1 Kor. 1:1), Timoteüs (2 Kor. 1:1) en Silvanus (1 Tess. 1:1). Elders noemt hij Marcus, Aristharchus, Demas en Lucas, die hij ‘mijn medearbeiders’ noemt (Fil. 24). In de aanhef van de brief aan de Galaten, heeft hij het eenvoudigweg over ‘al de broeders, die met mij zijn’(1:2). Dit sterke netwerk van christenen was van wezenlijk belang voor het succes van Paulus’ missie. Ze ondersteunden hem in zijn werk, bezochten de gemeenten (Fil. 2:19-30) en brachten zijn brieven over (Efe. 6:21-22).

2. Reizen van Paulus

2.1. Eerste zendingsreis (Hand. 13:1-15:35)

Deze reis is samen met Barnabas en begint in Antiochië en bezoekt de steden Seleucië, Salamis, Pafos (beiden op Cyprus), Perge, Antiochië in Pisidië, Ikonium, Lystra en Derbe. Dit zijn allemaal steden in Klein-Azië, het huidige Turkije.

Brieven geschreven3: Galaten (49)

2.2. Tweede zendingsreis (Hand. 15:36-18:22)

De tweede zendingsreis is met Silas, nadat Paulus en Barnabas een groot conflict hadden gehad (Had. 15:36-40) en later ook met Timoteüs (16:3) en Lucas. Deze reis begint ook in Antiochië gaat dan naar Derbe en Lystra, die Paulus ook tijdens de eerst reis bezocht heeft. Vervolgens worden nog enige plaatsten in Klein-Azië bezocht voordat ze in Troas aankomen, in het Noordwesten van het huidige Turkije. Daar krijgt Paulus een visioen om over te steken naar Macedonië (in het huidige Griekenland), waar vervolgens de steden Filippi, Thessaloniki, Beréa, Athene, Korinthe en Kenchreeën worden aangedaan. In Korinthe blijft Paulus anderhalf jaar wonen en sticht dan een gemeente. Vervolgens gaat hij via Efeze, waar hij zijn reisgenoten achter laat, en Ceasarea en Jeruzalem weet terug naar Antiochië.

Brieven geschreven: beide aan Tessaloniki (51)

2.3. Derde zendingsreis (Hand. 18:23-21:26)

De derde zendingsreis gaat weer met Silas en Timoteüs en volgt de grote lijnen van de tweede reis en combineert Klein-Azië met Griekenland. Ze bezoeken Efeze, diverse gemeenten in Macedonië en daarna een verblijf van drie maanden in Korinthe en vervolgens weer naar Filippi. Daarna via Klein-Azië terug naar Ceasarea, waar de reis eindigt in Jeruzalem. Dit leidt uiteindelijk tot de gevangenneming van Paulus, mede doordat Paulus zich toch weer met de joodse wetten bezighoudt.

Brieven geschreven: beide aan de Korinthiërs (56), Romeinen (56-57)

Vraag: Wat is het belang van het feit alle drie de zendingsreizen begonnen vanuit de thuisgemeente van Paulus, Antiochië en daar ook weer eindigden (behalve de laatste)?

Voetnoten:
1. Paul the learner, 2. Paul the missionary, 3. Paul the prisoner. (The Hayford Bible Handbook, p. 504-505)
2 Driekwart van de joden woonde buiten Israël in die tijd.
3 Volgens The Hayford Bible Handbook, p. 504-505.

Bibliografie en voor verdere studie:
Aebi, Ernst, Korte inleiding tot de bijbelboeken, Culemborg: IBB 1978
Allen, J. Catling, Bijbellanden in woord en beeld, Culemborg: Educaboek, 1981
Anderson, R. Dean, 1 Korinthiërs, Kampen: Kok, 2008
Bavinck, J.H., Alzo wies het Woord, Baarn: Bosch & Keuning, 1960
Bouhuijs, K & Deurloo, K.A., Dichter bij Paulus, Baarn: Ten Have, 1980
Bruggen, Jacob van, Open Testament, Profiel van een commentaar, Kampen: Kok, 2010
Bruggen, Jacob van, Paulus, Kampen: Kok
Bruin, Paul & Gigel, Philipp, Paulus, een apostel van Jezus Christus, Baarn: Bosch & Keuning, 1963
Chilton, Bruce & Good, Deidre, Starting New Testament Study, London: SPCK, 2009
Fee, Gordon D., How to Read the Bible for All Its Worth, Grand Rapids: Zondervan, 2003
Hayford, Jack, The Hayford Bible Handbook, Nashville: Thomas Nelson, 1995
Hollander, H.W, 1 Korinthiërs III, Kampen: Kok, 2007
Houwelingen, P.H.R. van (red.), Apostelen, Dragers van een spraakmakend evangelie, Kampen: Kok, 2010
Schell, Steve, Women in Leadership Ministry, Los Angeles: Foursquare Media, 2007
Schippers, Jan A., Negen gaven van de Geest, Den Haag: Thora, 1990
Spanje, T.E. van, 2 Korinthiërs, Kampen: Kok, 2009
Wilson, Todd, De apostel Paulus, Zijn leven en zijn brieven, Heerenveen: Groen, 2009

Websites
Gebruikte landkaarten:

http://www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/P/Paulus%20%20de%20apostel%20(overzicht)/473/
http://www.kerkzoeker.nl/brievenvanpaulus.html
http://www.holyhome.nl/bible-atlas.pdf (meest compleet)

Welvaarts- en gezondheidsevangelie: christelijke stuiptrekkingen en misleidend

Door: Dr. B.J.G. Reitsma, hoogleraar aan de VU voor de bijzondere leerstoel kerk in de context van de islam.

Het is prominent in Amerika, maar dringt ook steeds meer door in ons land. Het zogenaamde welvaarts- en gezondheidsevangelie. Verschillende groepen als TRIN en Jong en Vrij zijn erdoor beïnvloed. En ook in de breedte van christelijk Nederland kom ik het steeds meer tegen.

Deze theologie zegt in de meest extreme vorm: als je echt gelooft, dan is God voor je, gaat het je financieel voor de wind, hoef je niet ziek te zijn en ervaar je geen lijden. Als het in je leven anders is, dan is het door echt geloof en volhardend gebed te overwinnen. Ik heb hier grote moeite mee. Het klopt niet!

In een westerse context zou ik me theoretisch nog kunnen voorstellen dat je stelt dat lijden en tegenspoed te maken hebben met een geseculariseerd christendom. Weinig geloof lijdt tot weinig wonderen. Maar die vlieger gaat voor vervolgde christenen niet op: christenen worden juist vanwege hun radicale toewijding aan Christus vervolgd. Zij lijden juist omdat ze geen compromissen willen sluiten. Alleen door hun geloof af te zweren, zullen ze een zekere mate van welvaart kunnen gaan ervaren.

wonderen
Dat laat zien dat het welvaartsevangelie een misleiding is. Natuurlijk is het aantrekkelijk. We proberen het lijden uit ons leven te verdringen. Kunnen de artsen niets meer met je, dan is er gelukkig nog gebedsgenezing. Trek je het in de economische crisis niet meer, dan kun je om welvaart bidden. Als er geen oplossing voor je probleem meer is, dan is er altijd nog het gebed dat wel een doorbraak kan forceren.

Toch kan ik de succesverhalen in dit verband niet zien als een positief teken, waar de kerk hoop uit mag putten voor de toekomst. Integendeel. Het zijn eerder stuiptrekkingen van een christendom in verval. Het laat zien hoe wereldgelijkvormig we zijn geworden. Is het verlangen naar volmaaktheid dan niet Bijbels? Doet God geen wonderen meer? Heeft Christus niet alle macht in hemel en op aarde?

verblijden
Natuurlijk wel! God zal eenmaal alle tranen uit onze ogen wissen, er komt een tijd dat de dood niet meer zal zijn en we in volkomen welvaart zullen leven. En daarvan zien we op tal van manieren ook vandaag al iets oplichten.

De vervolgde kerk herinnert ons eraan dat die tijd nog niet in volheid is aangebroken. Dat we leven in de tussentijd, tussen de overwinning van Jezus aan het kruis en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. En als we in die heerlijkheid met Christus willen delen, zullen we nu ook met Hem moeten lijden (Romeinen 8:17). Petrus roept ons zelfs op ons te verblijden over het lijden met Christus, omdat onze vreugde dan nog veel uitbundiger zal zijn, wanneer de heerlijkheid van Christus aanbreekt (1 Petrus 4:13).

welvaartsevangelie
Dat is een boodschap die er bij ons maar moeilijk ingaat. Zou onze angst voor de extremistische islam daar ook niet mee te maken kunnen hebben? Ons zorgen maken over vervolging en verlies van vrijheid is menselijk. Maar slaat dat niet door omdat we onze welvaart en vrijheid als christelijk normaal zijn gaan beschouwen; dat we het koste wat het kost willen bewaren?

Zelfs christenen in Nederland die het welvaarts-‘evangelie’ niet aanhangen, leven alsof het waar is. Het welvaartsevangelie kan vervolgde christenen enorm verwarren. ‘Waarom zou ik lijden om Jezus naam, als ik in zijn naam voorspoed en welvaart kan hebben?’

sporen
Dat is op zich al erg genoeg, maar de welvaartstheologie ondermijnt echter ook het volhardende geloof van de niet-vervolgde christelijke gemeente. Geloof is vertrouwen dat God goed is, altijd, ook als het moeilijk is, ook als God geen genezing geeft, ook als dingen stukgaan.

Die volharding biedt het welvaarts¬evangelie niet. Paulus en Barnabas sporen christenen juist aan om te volharden door hun voor te houden dat we alleen door vele beproevingen of verdrukkingen het Koninkrijk van God kunnen binnengaan (Handelingen 14:22).

genade
Dat is wat ik van vervolgde christenen leer: dat het normale christelijke leven veel meer te maken heeft met het lijden in de dienst van Christus dan met het comfortabel wachten op zijn wederkomst. Op zich houd ik niet van speciale zondagen. Voor de zondag voor de vervolgde kerk op 3 juni maak ik graag een uitzondering.

Omdat de vervolgde kerk ons gebed nodig heeft en moet weten dat ze niet voor niets geleden heeft. Maar zeker ook omdat wij van de vervolgde kerk moeten leren dat het welvaartsevangelie ons van Christus afhoudt. Dat het genade is, niet alleen in Christus te geloven, maar ook omwille van hem te lijden (Filippenzen 1:29).

Bron: ND 14 mei 2012

Inleiding Gemeentegroei/gemeenteopbouw (en de kansen daarvoor bij Rafaël).

Onderstaand artikel is een gedeelte van mijn afstudeerscriptie van de CHE (augustus 2010) getiteld: Groeien naar volwassenheid.

Inleiding Gemeenteopbouw

In dit hoofdstuk wil ik wat vertellen over de achtergrond van gemeenteopbouw en een aantal dilemma’s, die ik daarin tegenkwam, die van belang kunnen zijn voor Rafaël. Rafaël heeft een evangelisch-charismatische signatuur en is onderdeel van een internationale context, namelijk als lid van Foursquare Europe en Foursquare International. Voor de overzichtelijkheid ga ik voor deze inleiding uit van de boeken van Krol en Plantinga. Tijdens de lessen zal de literatuur vanuit een breder perspectief worden bestudeerd. 

Waarom het onderwerp gemeenteopbouw?

Enerzijds herkennen we het als een bijbelse opdracht dat God mensen wil gebruiken tot opbouw van zijn Lichaam ( Efe. 4:12 en 1 Cor. 3:9-11). En anderzijds wordt gemeenteopbouw binnen Rafaël gezien als een verantwoordelijkheid van de voorganger. In het document Rafaël Gemeente Evaluatie15 wordt gezegd:

“Gelukkig bouwt de Heer zijn gemeente en is het niet zo dat het (alleen) afhankelijk is van onze inzet, kracht en wijsheid. Aan de andere kant heeft de Heer hierin een grote verantwoordelijkheid aan de voorgangers en oudste gedelegeerd om de gemeente op te bouwen en te leiden,” 

Ook het Baptistenseminarium16 noemt als twee van de indicatoren voor de beroepsrollen Toerusting en Leidinggeven van de voorganger:

  • trajecten voor geloofsopbouw kunnen bedenken, uitzetten en implementeren.
  • op de hoogte kunnen blijven van gemeentegroeimodellen en gemeenteopbouwprojecten, plaatselijk en landelijk.

 Definitie Gemeenteopbouw

Zoals we in de verschillende definities van Gemeenteopbouw kunnen zien17, kan er erg veel onder begrepen worden, vaak afhankelijk van de achtergrond en context van degene die de definitie geeft. De definitie die mij het meest aanspreekt is die van Ingrid Plantinga-Kalter. Zij zegt:

Gemeenteopbouw zou ik willen omschrijven als: Een bewust en planmatig bezig zijn met de kwaliteit van de gemeente.”18 

De definities geven eigenlijk de breedte en veelzijdigheid van het onderwerp aan. Soms zie je door de bomen het bos niet meer door de verschillende modellen en stromingen in gemeenteopbouw. Het boekje De gereedschapskist van de gemeenteopbouwer van Ingrid Plantinga-Kalter geeft naar mijn idee een goed overzicht in een relatief dun boekje (100 pagina’s) en beschrijft kort maar bondig de belangrijkste zaken die met gemeenteopbouw te maken hebben, zoals de stromingen en trends binnen gemeenteopbouw, de theologie en kerkbeelden in gemeenteopbouw en de theorieën en toepasbaarheid van deze theorieën van gemeenteopbouw. Ook geeft ze een korte beschrijving van de belangrijkste (recente en Nederlandstalige) boeken en instrumenten van gemeenteopbouw. 

Een andere inleiding op dit onderwerp is het boek van Bram Krol Gemeentegroei Compleet, waarvan Bram zo eerlijk is om in zijn voorwoord toe te geven dat het boek niet compleet is, maar dat verdere studie en aanvulling nodig blijft. In dit boek geeft Bram een goed overzicht van het ontstaan van de Gemeentegroeibeweging, die hij laat beginnen bij Donald McGravan halverwege de vijftiger jaren van de vorige eeuw. McGravan was als zendeling werkzaam geweest in India en in een tweetal boeken Bridges of God (1955) en How Churches Grow (1961) doet McGravan onderzoek naar groeipatronen van kerken in India. Na terugkeer in Amerika begint McGravan de School of Church Growth, vanaf 1965 onderdeel van Fuller Theological Seminary in Californiё. Voor McGravan was “church growth” een synonym voor zending, namelijk het doorgeven van het evangelie. Tot 1972 was Gemeentegroei (althans in de VS) een stroming binnen de missiologie. In 1972 publiceert McGravan samen met C. Peter Wagner het boek Understanding Church Growth. Vanaf dat moment wordt de nadruk meer gelegd op de groei van de (plaatselijke) gemeenten en kerken. Vooral C. Peter Wagner heeft een grote rol gespeeld in de popularisering van Gemeentegroei, mede door zijn cursussen Gemeentegroei aan het Fuller Theological Seminary, waar hij vanaf 1971 professor is en in 1981 McGravan opvolgt als hoofd van de opleiding. Misschien wel het meest invloedrijke boek van Wagner is Your Church can Grow (1976), waarin hij zeven punten behandelt die samen de gezondheid van de gemeente bepalen. Gezondheid is meer dan aantrekkelijkheid. Wagner maakt veel gebruik van pragmatisme en optimisme en ook de bedrijfsmatige kijk op de kerk kon niet op een ieders instemming rekenen. Toch is Wagner fundamenteel geweest voor de ontwikkeling van de concepten van Gemeentegroei, met name bij gemeenten van evangelisch-charismatische signatuur. Vanaf 1982 geeft Wagner samen met John Wimber de cursus op Fuller “Signs, Wonders and Church Growth” die met name invloedrijk zijn geweest in de charismatische wereld en de bekendheid en bediening van John Wimber en zijn kerkgenootschap, The Vineyard Association, enorm hebben gestimuleerd. Ook in Nederland zijn velen (vooral in de evangelische wereld) door de boeken en conferenties van John Wimber beïnvloed. De Alpha cursussen zijn hier een goed voorbeeld van. 

In Engeland werd Eddy Gibbs in 1975 aangesteld om Gemeentegroei te introduceren. Hij heeft ook19 onder Wagner gestudeerd en publiceerde in 1981 zijn boek I believe in Church Growth. Hij baseert zich ook op de zeven gezondheidskenmerken van Wagner en introduceert dit succesvol in Engeland d.m.v. materialen en cursussen. 

In Duitsland publiceert Fritz Schwarz zijn eerste boek over missionaire ‘gemeenteopbouw’ Theologie des Gemeindeaufbaus samen met zijn zoon Christian. Zij leggen andere accenten dan de Amerikanen. In Amerika vraagt men zich af: werkt het? En in Europa is de vraag: klopt het? Met name Christian Schwarz bewerkt de zeven kenmerken van Wagner tot acht gezondheidskenmerken, omdat hij Wagner te weinig systematisch vond. Wagner had ook een liefde voor het uitzonderlijke, zoals mega-kerken, terwijl Schwarz vond een model algemeen toepasbaar moest kunnen zijn. De kenmerken van Schwarz in zijn boek De praktijk van de natuurlijke gemeente-ontwikkeling (1997) is dat een gemeente aan zijn zwakke punten moet werken. Deze moeten eerst gemeten worden d.m.v. het opstellen van een gemeenteprofiel.

De acht (richtinggevende!) kenmerken die Schwarz noemt zijn:

1. Toerustend leiderschap

2. Gavengerichte taakvervulling

3. Hartstochtelijk geloofsleven

4. Doelmatige structuren

5. Inspirerende samenkomsten

6. Groeigerichte gemeentekringen

7. Behoeftengerichte evangelisatie

8. Liefdevolle relaties 

Hier zien we eigenlijk alle onderwerpen terugkomen die bij Gemeenteopbouw van belang zijn en vaak ook in de andere modellen (zij het soms onder een andere naam) voorkomen. 

Een ander belangrijk accent van Schwarz is het inschakelen van alle gemeenteleden bij gemeenteopbouw. Van belang is daarom te weten welke gaven mensen hebben, zodat ze gavengericht taken kunnen vervullen in een gemeente. Zijn boek De Gaventest (1993) heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. Ook hier zien we dat Schwarz voortborduurt op het gedachtegoed van Wagner.20 

Samengevat kun je zeggen dat in de Amerikaanse aanpak de nadruk ligt op getalsmatige groei, terwijl bij Schwarz de nadruk ligt op kwalitatieve groei. De spanning tussen deze twee aspecten blijf je herkennen zowel in de literatuur, als ook in de praktijk. Voor Rafaël zal de grote opdracht in Matt. 28:19 de belangrijkste motivatie moeten zijn om te streven naar numerieke groei. Daarmee is de link met missiologie zoals McGravan dit oorspronkelijk zag, weer gelegd. 

  • Verschil gemeentegroei en gemeenteopbouw

Bram Krol kiest bewust voor het gebruik van het woord ‘gemeentegroei’ als vertaling van het Engelse woord ‘church growth’. Hij geeft zelf al aan waarom dit woord in Europa niet goed aansloeg21, namelijk dat in Europa de kerk in het algemeen aan het slinken was. Bovendien was de term ‘evangelisch besmet’ volgens Krol. Vandaar dat in Europa de term ‘gemeenteopbouw’ meer algemeen bekend is en ook mijn voorkeur heeft. Het legt minder de nadruk op het moeten groeien in aantal, terwijl bij opbouw ook sterk gedacht kan worden aan de menselijke inbreng in dit proces, terwijl we de groei van God mogen verwachten. 

Volgens Krol is het werkgebied van Gemeentegroei hetzelfde wat bij de (universitaire) theologische studie onder Praktische Theologie viel, namelijk de uitvoerende taken van de kerk: evangelistiek, liturgiek, missiologie, predikkunde, pastorale vorming en kerkrecht. In Krol’s woorden is de Praktische Theologie meer oecumenisch en vaak nogal vrijzinnig.22 Dat ziet hij als een zwakte, omdat vrijzinnigheid haar principes maar moeilijk over kan brengen. Voor Krol is duidelijkheid van groot belang voor het ontwikkelen van een gezond kerkelijk leven. Hij ziet het boek van dr. Jan Hendriks Een vitale en aantrekkelijke gemeente (1990) als het begin om de Praktische Theologie en Gemeentegroei bij elkaar te brengen. Als (oud) hoofddocent gemeenteopbouw aan de VU, is Hendriks met name in Protestantse kringen (PKN) invloedrijk geweest door zijn vele publicaties en boeken, een rol die zijn opvolger dr. Sake Stoppels lijkt te hebben overgenomen. Zijn nieuwste boek Voor de verandering is daar een goed voorbeeld van. 

Plantinga laat vervolgens ook zien (en iets genuanceerder dan Krol) dat er een verschil kan zitten in de theologie achter gemeenteopbouw.23 Boeken over Gemeenteopbouw weerspiegelen vaak een visie op de Schrift en gaan uit van een bepaald Godsbeeld. Elke eenzijdigheid in een Godsbeeld heeft direct consequenties voor de manier waarop je met gemeenteopbouw omgaat, omdat het volgens Plantinga of (te)veel verantwoordelijkheid bij de mens legt, waardoor een grote mate van activisme dreigt (de evangelische benadering) of een sterke nadruk op de zondigheid van de mens en God (vooral) als verlosser ziet, zoals bij dr. M. te Velde. Dit eenzijdige Godsbeeld maakt mensen passief, waardoor er weinig ruimte is voor gemeenteopbouw. De angst van Te Velde is dat gemeenteopbouw een instrument is in handen van fanatieke vernieuwers, een mensgerichte bezigheid. Het verschil tussen de evangelische en de gereformeerde benadering wordt hierdoor onnodig groot, omdat ik denk dat beiden veel van elkaar kunnen leren en elkaar goed aanvullen. Plantinga zoekt het antwoord op deze problemen ook in een evenwichtig Godsbeeld en een evenwichtig mensbeeld.24 God is zowel Schepper, als Vader als Verlosser als Vernieuwer. Maar ook de mens heeft verantwoordelijkheden, mogelijkheden en beperkingen. Maar ook is de mens afhankelijk van God en heeft de leiding van de Heilige Geest nodig. De conclusie van Plantinga is dat ‘gemeenteopbouw een kwestie is van vertrouwen op God als de eigenlijke bouwheer van de gemeente.’25 

Dit vind ik een mooie conclusie en ik zou daarom willen pleiten dat een goede doordenking van je Ecclesiologie vooraf gaat aan het bestuderen van de principes van gemeenteopbouw. Bij Ecclesiologie kun je gaan nadenken over de theologische fundamenten van kerk zijn, waar ook je Godsbeeld en mensbeeld een onderdeel van uit moeten maken. 

  • De tegenstelling kwantiteit-kwaliteit

Uit de Amerikaanse literatuur (met name uit de hoek van de ‘church growth’ beweging) wordt sterk de nadruk gelegd op numerieke groei. Een gemeente functioneert pas goed als hij groeit in aantallen (kwantiteit). Anderen leggen meer de nadruk op kwalitatieve groei (moeilijker meetbaar), zoals Schwarz, die zegt dat ‘kleine gemeenten doorgaans de beste gemeenten zijn.’26 Bram Krol27 onderscheid drie soorten groei, namelijk getalsmatige groei, geestelijke groei en organisatorische groei. Getalsmatige groei kan eenvoudig gemeten worden en kan ook zinvol gebruikt worden voor allerlei doelen, al was het alleen maar om te weten hoeveel stoelen je klaar moet zetten en voor financiële planningen. 

Ook in de Bijbel zien we voorbeelden van aandacht voor getalsmatige groei (drieduizend, Hand. 2:41; vijfduizend mannen, Hand. 4:4; duizenden, Hand 21:20). Bij geestelijke groei moeten we denken aan groei in diepgang, dat mensen groeien in hun geloof. Dit aspect zien we ook terug in het boek Handelingen (6:7, 12:24, 13:49, 19:20). Hier wordt groei steeds gekoppeld aan de prediking en de verspreiding van Gods Woord. Getalsmatige groei is dan het gevolg van geestelijke groei! En onder organisatorische groei verstaat Krol alle organisatorische, structurele en communicatieve maatregelen, die een gemeente in staat stellen haar leden effectiever te dienen en buitenstaanders beter te bereiken. Alleen een goed georganiseerde gemeente kan groeien. Goede organisatie zal geen geestelijke groei opleveren, maar kan het wel beschermen. 

Bram Krol komt dan tot acht kenmerken van gezonde gemeenten28, waarbij de eerste vier de wortel zijn en de laatste vier de vrucht. Deze zijn:

1. Een praktikale theologie (mission)

2. Gerichte vorming (methoden)

3. Effectief leiderschap (mensen)

4. Een groeibevorderende structuur (middelen)

5. Inspirerende erediensten (vieren)

6. Een visionair geloof (leren)

7. Een liefdevolle gemeenschap (dienen)

8. Bewogen evangelisatie (groeien) 

  • Kernwoorden voor Rafaël: gezonde groei.

We zien dat Bram Krol het woord ‘gezonde’ gemeenten introduceert. Dit begrip ‘gezonde gemeenten’ speelt ook in Rafaël een grote rol. In het beleidsplan van Rafaël Nederland 2010 wordt gezegd dat “Rafaël Nederland heeft tot doel om een vruchtbare familie van gezonde gemeenten te zijn.” Deze ‘slogan’ staat ook prominent op de website van Rafaël29, vandaar dat ik dit motto onderaan elke bladzijde van deze scriptie heb opgenomen. Niet groei als doel op zicht, maar gezonde groei. In het beleidsplan worden verder een aantal speerpunten genoemd wat onder gezondheid wordt verstaan. Het hoofddoel is het ontwikkelen van gezonde leiders en gezonde gemeenten. Er worden drie doelstellingen genoemd, namelijk het doorbreken van groeibarrières, reproductie van leiderschap en een klimaat van voortdurende ontwikkeling en persoonlijke groei. Bij de invulling wordt gezegd: “Het werken en bevorderen van gezonde leiders en gezonde gemeenten is een kerntaak van onze beweging en het is een voorwaarde voor de ontwikkeling van de andere doelgebieden.”30 Het bieden van trainingen en onderwijs wordt gezien als één van de mogelijkheden om hier een praktische invulling aan te geven. In het beleidsplan wordt niet concreet gezegd wat gezondheid is en hoe je dit meet, maar op 24-11-2009 is er een Impact Trainingsdag geweest voor de Rafaël voorgangers met als thema: Geloven in gezonde groei, waarin dieper op deze principes is ingegaan, inclusief de bovengenoemde drie doelstellingen. Het onderwerp gezonde groei en hoe je dit kunt bereiken, leeft dus zeker binnen Rafaël. 

Ook is er in 2006 een Rafaël Gemeente Evaluatie ontwikkeld, wat begint met een seminar over ‘gezonde gemeenteontwikkeling’, gevolgd door het invullen van een evaluatie (een uitgebreide vragenlijst). Ook hier komt het begrip gezondheid steeds weer terug. De vijf onderdelen van de gemeente die worden geëvalueerd zijn:

1. Gezonde Gemeente Visie en Identiteit (wie willen we zijn)

2. Gezond Leiderschap

3. Gezond Geestelijk leven

4. Gezonde vruchtbaarheid

5. Gezonde en passende gemeente structuren en faciliteiten

Na het invullen van deze evaluatie biedt Rafaël Nederland de voorgangers de mogelijkheid van coaching en hulp om evt. actiepunten uit te werken. Het doen van zo’n gemeente evaluatie zou een goede (huiswerk)opdracht kunnen zijn voor deze Module Gemeenteopbouw, omdat het al bestaat en goed aansluit bij wat binnen Rafaël gangbaar is. 

  • Waarom Ecclesiologie?

In het algemeen gold als regel binnen de kringen van Gemeenteopbouw: ‘wat werkt is waar’.

Dit is een sterk pragmatische aanpak, wat ook goed past bij de Amerikaanse cultuur, waar dit idee in wezen vandaan komt. Dit heeft een aantal nadelen. Dit kan ons gevoelig maken voor hypes en ons steeds weer laat kiezen voor een andere cq betere (lees: succesvollere) aanpak. Ook is vaak niet duidelijk welke bijbelse of theologische principes er achter een bepaald model zitten. Sluit een bepaald model wel aan bij de eigen visie van kerk zijn? Wat is de balans tussen de hoeveelheid management en de hoeveelheid spiritualiteit in een bepaald model? 

Past een model wel binnen je eigen visie van gemeente zijn, incl. de opvattingen over het ‘ambt’ en de mogelijkheden van het ‘priesterschap van gelovigen’. Welke mogelijkheden biedt een kerk om gavengericht te gaan functioneren en welke gaven (en bedieningen) worden nog als belangrijk voor vandaag de dag gezien? 

Deze en nog andere vragen moeten eerst beantwoord worden door het bestuderen en nadenken over Ecclesiologie (leer van de kerk). Je visie en kijk op de kerk zijn in grote mate bepalend welke modellen en concepten van gemeente zijn passen bij een bepaalde kerk of gemeente. 

De belangrijkste onderwerpen die steeds terugkomen in de (door mij bestudeerde) literatuur31 over ecclesiologie zijn:

– Beelden32 van de kerk

– Identiteit van de kerk

– Structuur van de kerk

– Leiderschap (maar ook bedieningen) binnen de kerk

– Omgaan met traditie en vernieuwing

– De toekomst van de kerk

– De theologie van de kerk

Het spreekt voor zich dat deze onderwerpen zeker behandeld moeten worden. Zeker in deze tijd dat velen de kerk als instituut afwijzen, maar wel het geloof wel willen beleven op andere manieren. De ‘emerging church’ is een voorbeeld van een nieuwe vorm van kerk zijn, die zeker uitnodigt tot nadenken, zonder dit direct af te wijzen of toe te juichen. Soteria, Kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning33 heeft in 2005 een themanummer van haar tijdschrift gewijd aan het thema: Gemeenteopbouw en Ecclesiologie. Daarin beschrijft dr. René Erwich eigenlijk wat ik hierboven ook al signaleer als aandachtspunt. Hij zegt: “Welke onderliggende Ecclesiologie of gemeentevisie stuurt het proces van gemeenteopbouw? 

Elk opbouwmodel herbergt in de kern een kerkleer, een visie op de gemeente, waarin veel beslissingen al genomen zijn, zonder dat men zich dit meestal bewust is.”34 In dit hele themanummer worden diverse relevante aspecten van de samenhang van ecclesiologie en gemeenteopbouw behandeld. Een aantal artikelen en ideeën zal zeker verplichte kost zijn voor een ieder die hier verder over na wil denken. 

In een eerder themanummer van Soteria (maart 1992, p.51) komt deze gedachte ook al naar voren. Hierin wordt dr. J. Hendriks35 geciteerd, die zegt: “Wat in de praktijk effectief blijkt te zijn, behoeft theologisch nog niet legitiem te zijn’. Dit geeft voldoende aan wat het belang is van een gezonde ecclesiologie en het belang om daar grondig over na te denken. 

  • Vorming en toerusting is onderdeel (of de praktische invulling) van gemeenteopbouw.

You cannot lead any faster than you can educate”36

Voor Neil Anderson is de consequentie van leiderschap, dat leiders de verantwoordelijkheid nemen om andere leiders en gemeenteleden te trainen, onderwijzen en voor te bereiden voor geestelijke vernieuwing. Leiderschap wordt dus altijd vertaald in een praktische invulling in het gemeenteleven en de gemeenteopbouw. 

Enkele van de door mij gesignaleerde dilemma’s m.b.t. gemeenteopbouw en ecclesiologie zijn:

– Waarom is groei belangrijk voor ons? Wat is in wezen onze belangrijkste motivatie?

– Is kwaliteit belangrijker dan kwantiteit? Kun je ze wel tegen elkaar uitspelen?

– Kun je groei (maar ook gezondheid) organiseren? D.w.z. wat zijn onze ideeën over de maakbaarheid van de kerk?

– Moeten we ons ontwikkelen van een pragmatische aanpak naar een betere doordenking van methoden en strategieën?

– Is contextualisatie van belang of is dit een uitvinding van mensen die bang zijn voor invloeden van buitenaf?

– Hoe houden we een balans tussen de neiging tot institutionalisering en een beweging blijven?

 

Voetnoten:

15 Versie mei 2006, pagina 1.

16 Baptistenseminarium Onderwijs- en Examenregeling, pagina 8.

17 Ik heb er een 15-tal opgenomen op de website http://www.schoolvoorgemeenteopbouw.nl, ook de voorgangers hebben ieder hun eigen, soms hele creatieve definities. (site is inmiddels opgeheven)

18 Ingrid Plantinga-Kalter, De gereedschapkist van de gemeenteopbouwer, p.10

19 Bram Krol vermeld dat hij (net als Gibbs) in 1977 de School of Church Growth heeft bezocht. Gemeentegroei Compleet, p.8

20 Zie: C. Peter Wagner, Your Spiritual Gifts can help your church grow (1979)

21 Gemeentegroei Compleet, p. 24-25

22 Gemeentegroei Compleet, p. 32

23 De gereedschapskist van de gemeenteopbouwer, p.22-29

24 De gereedschapskist van de gemeenteopbouwer, p.30-33

25 De gereedschapskist van de gemeenteopbouwer, p.33

26 De praktijk van de natuurlijke gemeente-ontwikkeling, p.202

27 Gemeentegroei Compleet, p.101-104

28 Gemeentegroei Compleet, p.106-122

29 http://www.rafael.nl

30 p5. Beleidsplan Rafaël Nederland 2010 versie 1.0 (maart 2010)

31 Dr. Theo J.W. Kunst, De gemeente als organisme; Ds. Chris van Andel, De aantrekkelijke gemeente; J. Hendriks, Een vitale en aantrekkelijke gemeente; Jim Belcher, Deep Church; Dr. J.P. Versteeg, Kijk op de kerk; Dr. R. Boon, Op zoek naar de identiteit van de kerk; Derek Prince, Gods Kerk herontdekt; Everett Ferguson, The Church of Christ; Dr. Willem J. Ouweneel, De Kerk van God I, Miroslav Volf, After Our Likeness; Dr. Jan Hoek, Geroepen in een nieuwe eeuw; Alexander Strach, Leiderschap in de gemeente.

32 Dit bepaald ook je ideeën over en behoefte aan groei.

33 Uitgeverij Merweboek, Sliedrecht

34 Soteria nr. 4, 2005, p. 3

35 Een vitale en aantrekkelijke gemeente.

36 Extreme Church Makeover, p.145