Studieavond over profetie op 15 dec. 2016

Op donderdagavond 15 december spreekt ds. Gert Jan Brienen over profetie in de gemeente. Hij is predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerk De Graankorrel te Hoofddorp. Brienen studeerde theologie aan de Theologische Universiteit van de CGK en schreef een scriptie met de titel “Streef ernaar te profeteren” – Het functioneren van de gave van profetie in samenkomsten van een gemeente van gereformeerde signatuur in de 21e eeuw.

Programma:
Leiding van de avond: Martien Timmer

19.00 uur opening door Martien Timmer
19.15 uur ds. Gert Jan Brienen
20.00 uur 1e vragenrondje
20.15 korte koffiepauze
20.30 uur gesprek met elkaar en gelegenheid om vragen te stellen
21.20 uur formuleren van enkele conclusies
21.30 uur sluiting

Locatie: Kantoor Missie Nederland, Hoofdstraat 51, 3971 KB Driebergen.

Deelname is gratis, graag wel even aanmelden, zodat we weten hoeveel mensen er komen.
Wilt u vooraf een maaltijd gebruiken dan zijn de kosten €15,-  Opgave maaltijd verplicht

 

aanmelden: https://www.missienederland.nl/bijeenkomst-details/65/bezinning-op-profetie-profetie-in-de-gemeente/register

 

Advertisements

Israël en de kerk: één of twee volken van God?

Door Dr. Ds. M. Klaassen

De Heidelbergse catechismus doet in zondag 21 een opmerkelijk bewering: de Zoon van God vergadert zich een gemeente vanaf het begin der wereld tot aan het einde. Vanaf het begin van de wereld tot nu is er één volk van God. In het oude verbond is dat Israël, in het nieuwe verbond zijn dat joden en heidenen die in Christus geloven. Dat is een visie die niet alle christenen zo overnemen. Er zijn stromingen die een sterk onderscheid aanbrengen tussen de kerk en Israël. Dat gebeurt meestal onder invloed van het zgn. dispensationalisme, ook wel de bedelingenleer genoemd. Deze visie – die in de 19e eeuw ontstond en vanuit met name Amerika de wereld overgewaaid is –maakt een sterk onderscheid tussen Israël en de kerk. Er is niet één volk van God, maar twee volken van God. God gaat met elk Zijn eigen weg. Feitelijk hebben ze niets met elkaar te maken. Ik meen dat deze visie onjuist is.

Paulus gebruikt in de Romeinenbrief een verhelderend beeld: het beeld van de olijfboom (Rom. 11). Die olijfboom is het volk van God; de takken zijn de gelovigen. Eerst hoorden er alleen maar gelovige joden bij dat volk van God. Maar nu heeft God ook wilde takken ingelijfd: heidenen. Er zijn ook takken afgerukt: joden die Jezus niet als Messias erkennen. Gelukkig zal God Zich eens weer over deze afgevallen takken ontfermen. In elk geval: de boom bestaat nu uit gelovige joden en gelovige heidenen. Maar het is één boom.

Is de gemeente dan in de plaats van Israël gekomen?
Ja en nee. In de vervangingsgedachte heeft het etnische volk Israël afgedaan in het plan van God. Dat lijkt me onjuist. Ik geloof dat Israël nog steeds een plaats heeft in Gods hart. Israël is het volk van Gods eerste liefde – en ook in hun verwerping van het evangelie ‘geliefden vanwege de vaderen’ (Rom. 11: 28). Dat betekent dat God nog steeds een band heeft met het etnische Israël. Hoewel de kerk Israël niet vervangt, is het wel de vervulling van Israël. Die vervulling heeft alles te maken met Jezus. Want het is Jezus, de Zoon van God, die –als zoon van Israël – de roeping van het falende, ongehoorzame Israël – ook Zoon van God! (Ex. 4: 22) – op Zich neemt. Hij doet wat Israël had moeten doen. Hij is de vervulling en de belichaming van Israël. Dat betekent ook dat wie in Hem gelooft, deelt in Israël en de zegen van Israël. Wie in Hem gelooft naar wie Abraham verlangde (Joh. 8: 56) wordt ook een kind van Abraham, ook al woon je in Afrika en ben je geen jood: ‘…als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht’ (Gal. 3: 29). Oudtestamenticus Chris Wright schrijft: ‘…Gods volk Israël is uitgebreid (…) om mensen uit vreemde naties te omvatten die, voor zover ze in Christus zijn, nu ook gerekend worden als in Abraham.

Waarom?
Omdat Jezus de Christus is – de Messias, die het oudtestamentische Israël in Zijn eigen persoon belichaamt. Dus allen die in Hem zijn, zijn vanwege dat feit begrepen in het Israël van God in Christus’. Inderdaad: Paulus gaat zo ver dat hij in Galaten 6 de gemeente toespreekt als het ‘Israël van God’ (Gal. 6: 16). Dat is niet vreemd, maar past bij een breder patroon dat we in het Nieuwe Testament waarnemen: allerlei uitdrukkingen die in het OT op Israël van toepassing zijn, worden toegepast op de gemeente. Zo wordt de benaming ‘Koninkrijk van priesters, een heilige natie’ die God in Exodus 19: 6 aan Israël geeft, in de eerste Petrusbrief ook op de gemeente toegepast. ‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte, u die voorheen geen volk was, maar nu Gods volk bent… (1 Petr. 2: 9,10)’. En waar Israël in Numeri 16: 3 de ‘gemeente van de HEERE’ wordt genoemd, komen we dezelfde uitdrukking in het Nieuwe Testament tegen als het over de nieuwtestamentische gemeente gaat. Het heeft lang geduurd voordat ik met deze conclusies in kon stemmen, maar ik ben er langzamerhand steeds meer van overtuigd. Geen vervanging dus, wel vervulling en uitbreiding.

Bron: http://www.mklaassen.net/weblog/israel-en-de-kerk-een-twee-volken-van-god/

Revival volgens de Assemblies of God, een kritische reflectie

FROM THE GENERAL SUPERINTENDENT
From time to time, the General Council receives inquiries desiring comment on various revivals or ministries held in both Assemblies of God and non-Assemblies of God churches.

Rather than attempting to comment on any specific series of meetings, I feel it would be preferable to provide some scriptural guidelines for assessment. I have great confidence in the maturity of Assemblies of God pastors and laity to make their own judgments and heed the admonition of the apostle Paul: “Do not put out the Spirit’s fire; do not treat prophecies with contempt. Test everything. Hold on to the good. Avoid every kind of evil” (1 Thessalonians 5:19-22, NIV).

The Assemblies of God is irrevocably committed to the inspiration of Scripture, that the Bible provides the assessment tools needed for evaluating doctrine and experience, and is deeply hungry for the continued filling and empowerment of the Holy Spirit.

Our former general superintendent, Thomas F. Zimmerman, once compared the Holy Spirit to a mighty river, and the Scriptures to the banks of that river. Brother Zimmerman said that great harm occurs when the river overruns the banks, but that the river does great good when it stays within the banks.

Thus, it is well for us to look at the safeguards the Bible provides in helping us “test everything.” Here are the questions we should always ask.

1. Is Jesus Christ exalted? The purpose of the Holy Spirit is to testify about Christ, and to convict the world of sin, righteousness, and judgment to come (John 15:26; 16:8). To the Corinthian church that had become overly enamored with charismatic manifestations, the apostle Paul wrote “I resolved to know nothing while I was with you except Jesus Christ and him crucified” (1 Corinthians 2:2).

Thus, the focus for any lasting revival always must be on Jesus. The Holy Spirit has not come to glorify himself, or any human or angelic personality.

2. Is the Word of God proclaimed? Every revival with lasting effect has always been rooted in the preaching of God’s Word. This is in keeping with the spread of the gospel in the early Church as recorded in Acts.

• Following the first persecution, they “spoke the word of God boldly” (4:31).
• Following the second persecution and flogging, “day after day, in the temple courts and from house to house, they never stopped teaching and proclaiming the good news that Jesus is the Christ” (5:42).
• After the selection of deacons, “the word of God spread” (6:7).
• Resulting from Saul’s persecution of the church, “those who had been scattered preached the word wherever they went” (8:4).
• Samaria “accepted the word of God” (8:14).
• The Gentiles of Cornelius’ household “received the word of God” (11:1).
• Paul and Barnabas preached “the word of God” on their first missionary journey and “the word of the Lord spread through the whole region” (13:46,49).
• Before departing for their second missionary journey, Paul and Barnabas and many others “taught and preached the word of the Lord” at Antioch (15:35).
• The Holy Spirit kept Paul and Barnabas from “preaching the word in the province of Asia” (16:6).
• The Bereans “received the message with great eagerness and examined the Scriptures every day to see if what Paul said was true” (17:11); Paul “was preaching the word of God at Berea” (17:13).
• At Corinth, “Paul stayed for a year and a half, teaching them the word of God” (18:11).
• Through Paul’s ministry at Ephesus, “all the Jews and Greeks who lived in the province of Asia heard the word of the Lord” (19:10).
• Paul’s farewell words to the Ephesian elders are: “For I have not hesitated to proclaim to you the whole will of God” (20:27).

It is clear from the above references that great focus was given in the early Church to preaching the Word, sometimes also identified as proclaiming the gospel. This is consistent with the first commitment of the early Church following the day of Pentecost: “They devoted themselves to the apostles’ doctrine . . .” (Acts 2:42).

Thus, a doctrinal test for any revival is whether the content of the preaching is the same as Jesus and the Apostles. The Word of God stands over personal viewpoints. Any Biblical revival must “contend for the faith that was once for all entrusted to the saints” (Jude 3). If so-called truth is being proclaimed that cannot be found in Scripture, then that proclamation violates the specific announcement of Scripture that the faith “was once for all entrusted” and such a proclamation also deviates from the apostles’ fidelity to preach the Word, and from the early Church’s devotion to the apostles’ doctrine.

The Azusa Street Revival (1906-09) unabashedly proclaimed that the sure plumb line of truth was God’s revealed and written Word. Elder Seymour and others were criticized sharply for their insistence on “checking everything out with the Word.” But, they were unashamed. In fact, Seymour responded to these criticisms in the September 1907 issue of The Apostolic Faith.

”We are measuring everything by the Word, every experience must measure up with the Bible. Some say that is going too far, but if we have lived too close to the Word, we will settle that with the Lord when we meet Him in the air.

Miraculous manifestations are never the test of a true revival. Fidelity to God’s Word is the test. Jesus himself said there would be many who would do miracles in His name and even cast out demons, but He does not know them (Matthew 7:15-23). Jesus warned that “many false prophets will appear and deceive many people” (Matthew 24:11). Paul warns, “If anyone teaches false doctrines and does not agree to the sound instruction of our Lord Jesus Christ and to godly teaching, he is conceited and understands nothing” (1 Timothy 6:3). To the Galatians, Paul writes: “But even if we or an angel from heaven should preach a gospel other than the one we preached to you, let him be eternally condemned (Galatians 1:8). Paul also warns: “Do not let anyone who delights in false humility and the worship of angels disqualify you for the prize. Such a person goes into great detail about what he has seen, and his unspiritual mind puffs him up with idle notions. He has lost connection with the Head, from whom the whole body, supported and held together by its ligaments and sinews, grows as God causes it to grow” (Colossians 2:18,19). Peter warns that “there will be false teachers among you. They will secretly introduce destructive heresies. … Many will follow their shameful ways and will bring the way of truth into disrepute. In their greed these teachers will exploit you with stories they have made up.” (2 Peter 2:1-3).

In summary, the message must always be examined. If the message and the messenger line up with God’s Word, then the revival is on safe biblical ground and it should and must be embraced. If not, then even though miracles and manifestations occur, it should be avoided.

This raises the question of how can healings and miracles occur if the message and/or messenger are not consistent with Scripture. The attribution for the healings and miracles is the grace of God and His mercy for hurting people.

3. Are persons repenting of sin and being baptized in water and the Holy Spirit? Repentance has been called the first word of the gospel because it is the initial response called for by John the Baptist (Matthew 3:2), Jesus (Matthew 4:17), the Twelve (Mark 6:12), Jesus after His resurrection (Luke 24:47), Peter (Acts 2:38), and Paul (Acts 26:20). With repentance comes baptism in water and the overwhelming or baptism in the Holy Spirit (Acts 2:38,39).

Unless these initiatory events of the Christian life occur, along with the sanctifying work of the Spirit that leads to a holy life, then the miracles, crowds, and enthusiasm will quickly wane.

Of course, there are additional questions that can be raised, but my purpose is to give some starter reflections for those who have honest hearts to “test all things” as Paul admonished. If the above three questions cannot be answered with a resounding yes, then perhaps other questions are unnecessary.

The modern Pentecostal revival is now over 100 years old. Within that revival, there have been some significant centers of activity. For example, the Azusa Street Revival generated a missionary movement whose effects we still see today. The charismatic renewal brought refreshing both to Pentecostal and non-Pentecostal believers. However, there have also been some tornadoes that have brought destruction. In other words, there have been good winds and ill winds.
It is our responsibility to maintain a deep hunger for God and to keep our focus on the mission He has given us: to bring glory to God, to evangelize the lost, and to make disciples. We cannot do this on our own. We need the empowerment of the Holy Spirit along with the signs that follow those who believe.

Someone has said that revivals are like childbirth. They are messy, but you like the final result. Certainly, every revival has been marked by some elements that would be regarded as extreme. Dr. J. Edwin Orr, who studied and wrote more on the history of revivals than anyone else in Christian history, told me once that revivals are like a cabin on the Maine coast that has been shuttered up for the winter. When the winds begin to blow, the first thing that begins to make noise is all the loose hinges and shutters. And, that may well be the case. So we must be cautious at the initial onset of a revival to let some “loose hinges and shutters” have their freedom, but, ultimately, if the revival is to have enduring fruitfulness, it must be pastored carefully with doctrinal soundness, moral and financial accountability, and care to give publicity to Christ rather than to the revival.

The Azusa Street Revival had such enduring fruitfulness precisely because the three questions raised above can be well answered, both then and now: Christ was exalted, the Word of God was the plumb line, and people responded to the gospel with repentance and baptism in water and in the Spirit. And, like the early Church, they were full of the Holy Spirit and went everywhere to share the good news!

Let us keep the prayer of Habakkuk (3:2) in our hearts and on our lips:

Lord, I have heard of your fame;
I stand in awe of your deeds, O Lord.
Renew them in our day,
In our time make them known.

Your brother in Christ,
George O. Wood
with the concurrence of the Executive Presbytery of The General Council of The Assemblies of God

Bron: http://ag.org/top/General_Superintendent/Statement_on_Revival.cfm

Recensie: De Kerk van Ouweneel

Teun van der Leer, rector van het Baptistenseminarium, recenseert ‘De Kerk van God I. Ontwerp van een elementaire ecclesiologie’ en ‘De Kerk ven God II. Ontwerp van een historische en praktische ecclesiologie’. Beide van Dr. Willem J. Ouweneel, uitgegeven door Medema Heerenveen 2010-2011, resp. 560 en 518 blz., €37,95 per stuk. De titel van het artikel: ‘De Kerk van Ouweneel: Moedig en uitdagend, maar ook eenzijdig’.

DE KERK VAN OUWENEEL
Zo merkwaardig is het niet dat dr. Willem Ouweneel maar liefst twee dikke delen in zijn Evangelisch-Dogmatische Reeks wijdt aan de ecclesiologie. Het betreft hier immers de achilleshiel van de evangelische beweging. Er is bijna geen onderwerp waarover evangelicals meer van mening verschillen, dan over de kerk.

Moed kan Ouweneel dus niet ontzegd worden dat hij zich hieraan waagt, zeker als hij in het Voorwoord zelfs nadrukkelijk zegt te pretenderen een evangelische ecclesiologie te bieden. Maar die moed geldt natuurlijk de hele reeks. Welk individu vanuit welke traditie dan ook is nog in staat in deze tijd zo’n project op te pakken en uit te voeren? De laatste die zich hieraan waagde was dr. Ben Wentsel, die tussen 1981 en 1998 een zevendelige Dogmatiek schreef (waar Ouweneel dan ook regelmatig naar verwijst). En nu gebeurt het vanuit een traditie die helemaal geen dogmatische traditie heeft! De auteur moet dus grotendeels zelf de paden ontginnen en allerlei onvoorziene en nog niet eerder ontdekte voetangels en klemmen zien te vermijden. Dat hij daar niet altijd in slaagt valt hem nauwelijks te verwijten. Je kunt je afvragen of het wat dat betreft nog wel mogelijk – laat staan wenselijk – is om zo’n reeks alleen te schrijven. Iemand met de passie, werkkracht en enorme belezenheid als een Ouweneel komt wel heel ver. Dat hij zich er uiteindelijk toch aan vertilt, ligt behalve in zijn eigen aard, vooral ook in de aard van de theologie. Die vraagt niet om het isolement van de studeerkamer, maar om het laboratorium van de gemeente en het debat van de academie.

Nu kan Ouweneel niet verweten worden dat hij zijn studeerkamer nooit verlaat, integendeel. Wie zijn website ziet met alle spreekbeurten, seminars en conferenties waar hij spreekt en cursussen die hij geeft, vraagt zich af wanneer hij eigenlijk tijd heeft om te lezen en te schrijven. Ook schrijft hij niet alleen. In elk deel worden 10 mensen bedankt die meelezen. Maar dat zijn – voor zover ik het kan beoordelen – geen systematici of bijbelwetenschappers met wie hij echt het debat kan aangaan en die hem grondig van repliek kunnen dienen. Daarom houdt dit project iets van een Alleingang die de theologie (in dit geval de ecclesiologie) heel sterk persoonlijk kleurt.

Spiritualistische trekken
Dat blijkt eigenlijk direct al in de Inleiding, waar hij aangeeft te preken in alle denominaties in alle werelddelen en zich overal in zekere mate thuis te voelen, ‘doordat ik overal verbondenheid met medegelovigen ervaar’. Hij voelt zich dan ook geen hypocriet als hij zich in een PKN-gemeente anders gedraagt dan in een hypercharismatische gemeente, want ‘in al die vormen, van zeer traditioneel tot zeer experimenteel, herken ik iets van authenticiteit en oprechtheid’. Hier ontpopt Ouweneel zich als een echte evangelical: in feite is elke vorm ondergeschikt en ‘dus’ bruikbaar, zolang het authentiek geestelijk is. Als het op de kerk(vormen) aankomt neigen evangelischen – zeker binnen de Vergadering van Gelovigen waar Ouweneel toe behoort – naar spiritualisme. Overigens is het dan wel weer – aangenaam – verrassend dat hij in het tweede deel twee uitvoerige hoofdstukken wijdt aan de liturgie, die ook ingaan op de brede kerkelijke traditie dienaangaande en zelfs een goed woord bevatten voor het formuliergebed. Verder wijst hij er terecht op dat evangelischen net zo goed hun rituelen kennen; ze noemen ze vaak alleen niet zo. Genoemd spiritualisme vertaalt zich ook door naar de grote nadruk die Ouweneel legt op de onzichtbare ‘transcendente’ gemeente van alle ware gelovigen. Kerk en denominatie vallen nooit samen: ‘Er zijn er velen in de kerk die niet van de Kerk zijn, en velen van de Kerk die niet in de kerk zijn; wie het vatten kan, die vatte het’ (I, 33).

Charismatisch ‘zonder onderscheid’
Het persoonlijke vertaalt zich vooral door in de grote rol die het charismatische en – in het verlengde daarvan – lichamelijk genezing in dit boek spelen. Het is bekend dat Ouweneel in zijn leven een enorme switch heeft gemaakt van sterk anti-charismatisch naar een grote openheid voor en betrokkenheid bij het charismatische, ook in z’n soms extreme vormen. Hij is even pro-charismatisch als dat hij vroeger anti-charismatisch was. Wat jammer is, is dat Ouweneel nergens in dit boek reflecteert op deze ommezwaai. Terwijl hij wel refereert aan de verandering die binnen gereformeerde en evangelische kring is opgetreden t.a.v. het charismatische. Hij noemt dat zelfs ‘frappant’. Het zou winst zijn geweest als hij gepoogd zou hebben om theologisch rekenschap te geven van zijn eigen ommezwaai. Nu wordt het charismatische overwegend kritiekloos en ‘vanzelfsprekend’ opgevoerd en speelt een thema als genezing een wel erg prominente rol voor een boek over ecclesiologie. Ook wordt er niet of nauwelijks onderscheid gemaakt tussen de diverse stromingen en bewegingen. Namen als David du Plessis, Wimber en Kraan worden in één adem genoemd met die van Maasbach, Osborn, Morris Cerullo, Benny Hinn en T.B. Joshua, met enkel de toevoeging ‘ik noem deze bedieningen zonder mij persoonlijk met allemaal of met alle aspecten ervan te identificeren’ (II, 213). Er vindt dus geen enkele weging plaats. Zelf was Ouweneel enkele jaren geleden nauw betrokken bij de toen al zeer omstreden Nigeriaan T.B. Joshua. Nu schijnt hij zich van hem min of meer gedistantieerd te hebben; je hoort hem er althans niet meer over. Het zou boeiend en leerzaam zijn – zowel voor hemzelf als voor de lezer – indien hij dit bijvoorbeeld als casus zou hebben gebruikt om uit te zoeken hoe je binnen het charismatische tot onderscheiding en toetsing kunt komen. Wel bevat het boek acht punten van (stevige) kritiek op de charismatische beweging (II, 38-40) en worden een aantal wantoestanden genoemd (II, 226-227), maar het wordt niet ingebed in een helder theologisch kader, waardoor de aandacht ervoor iets willekeurigs houdt.

Kader en bronnen
Misschien is de afwezigheid van een helder kader wel het grootste probleem in deze ecclesiologie. Zo vindt er nauwelijks weging plaats van bronnen, zowel binnen als buiten de Schrift. Wat het laatste betreft wordt uit een zeer breed scala zonder merkbaar onderscheid geput, van Jimmy Ontoero tot Hans Küng en van Maarten Luther tot Derek Prince en Peter Wagner. Ook wordt geen merkbaar onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire bronnen, terwijl op bepaalde momenten het bronnenmateriaal weer heel mager is. Bijv. als het gaat over kerkvormen in het NT en het al dan niet normatieve van het gemeenteleven in Handelingen. Daar ontbreken Nieuwtestamentici als Schweitzer en Dunn (al wordt de laatste elders wel genoemd) en wordt bijna uitsluitend gevaren op het ‘gezag’ van Derek Prince die zondermeer stelt dat God alles de eerste keer gelijk goed doet en dat ‘dus’ Handelingen ‘het’ gemeentemodel is en dat God ‘nooit een ander model zal accepteren’ (I, 243).
Bovendien lijkt Ouweneel met de geweldige breedte van zijn belezenheid als het op het (ana)baptisme aankomt een blinde vlek te hebben. Dat is zeker in deze delen jammer, omdat als ergens binnen de evangelische beweging sprake is van ecclesiologische bezinning, het hier gebeurt. Van de vroege doperse theologen komen we alleen Menno Simons in het eerste deel een paar keer tegen, maar verder geen spoor van Grebel, Hubmaier, Denck of Willems. Ook hedendaagse doperse denkers als J.H. Yoder, Franklin Littell, Leo Garrett, Nigel Wright, James McClendon (1x), Stanley Hauerwas, Olof de Vries (met zijn ‘these’ over de verhouding tussen kerk en opwekkingsbeweging!) en Miroslav Volf (1x) – die zich stuk voor stuk nadrukkelijk met de ecclesiologie hebben bezig gehouden – komen niet of nauwelijks aan bod.

Ook is mij niet duidelijk vanuit welk hermeneutisch kader Ouweneel de Schrift benadert. Hij zegt in zijn inleiding weliswaar een ahistorisch en atheologisch biblicisme te willen vermijden, maar voert vervolgens op tal van plaatsen losse tekstverwijzingen op om bepaalde beweringen te ondersteunen. Merkwaardig is ook dat hij extra lijkt te hechten aan Mat. 16:18 en 18:17, omdat het daar ‘de eerste keer is dat de ekklèsia in het NT genoemd wordt’ (60). Nog los van de vraag of Jezus zelf dit woord wel gebruikt heeft (Hij sprak immers Aramees), is het zo dat als je al waarde hecht aan wanneer iets voor de eerste keer gebruikt wordt, je dan bij de vroege brieven van Paulus zou moeten beginnen, die immers eerder dan de Evangeliën zijn geschreven.
Misschien heeft de afwezigheid van dat kader er ook mee te maken dat Ouweneel gewoon teveel wil. Het lijkt soms wel of hij bang is iets of iemand te vergeten. Talrijk zijn de lijstjes met ‘pro’ en ‘contra’ argumenten, de lijsten met mogelijke uitleg van het een of het ander en de opsommingen van diverse opties en standpunten. Dat heeft voor de lezer ook iets vermoeiends. ‘In der Beschränkung zeigt sich der Meister’ schreef Goethe. Dat meesterschap zou geholpen hebben om in Ouweneels kerkelijk bos de bomen nog te kunnen zien.

Ziekenzalving als derde sacrament
Nogmaals, er zijn ‘bomen’ die je niet kunt missen. Ik noemde ze al eerder: de charismatische en die van de genezing. Die groeien met gretig enthousiasme soms ver boven de andere bomen uit. Een voorbeeld daarvan is de nadruk die hij (ook weer in het spoor van Derek Prince) legt op de ‘vijfvoudige bediening’ in Efeze 4 die vooral interlokaal zou zijn. Het wemelt op het charismatische erf inderdaad van de rondreizende predikers die zich profeten en apostelen (laten) noemen, maar het is onduidelijk hoe dat moet worden geduid, juist ook in verhouding tot plaatselijke kerken. Maar Ouweneel hecht zonder veel onderbouwing sterk aan ‘het herstel van de apostolische bediening’ dat hij een bijzonder kenmerk van de eindtijd noemt. Hij verbindt dit o.a. met de drie ‘late regen’ teksten uit het OT, op grond waarvan hij nog een grote wereldwijde opwekking verwacht ‘die in geen enkel opzicht denominationeel gebonden zal zijn’ (II, 68). Dit is weer ingebed in een uitvoerig betoog waarin de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 op het verloop van de kerkgeschiedenis worden geplakt.

Grote nadruk legt de auteur ook op wonderen en tekenen als begeleidende verschijnselen bij ‘authentiek-bijbelse evangelieverkondiging’. Daarbij worden vooral kwantitatieve argumenten gebruikt: ‘Van alle mensen die in onze tijd wereldwijd bekeerd worden, komt 85 tot 90 procent mede door wonderen en tekenen tot geloof’ (I, 338). En: ‘Gods gemeente breidt zich momenteel op aarde voor het allergrootste deel – vermoedelijk meer dan tachtig procent – uit mede door tongentaal en profetie, genezings- en bevrijdingsbediening’ (II, 368). Zelfs als dit waar zou zijn (de cijfers zijn weinig onderbouwd) is de vraag wat de theologische waarde van zo’n bewering is. Is het getal een criterium voor waarheid? Ouweneel verbindt aan zijn kwantitatieve waarneming vergaande consequenties: ‘Als wij ons laten vullen met de Geest, gaat de rest bijna vanzelf (…). De ongelovigen zullen toestromen, nauwelijks naar onveranderde, traditionalistische kerken en gemeenten (katholiek, reformatorisch of evangelisch), maar naar nieuwe gemeenten (…). Slechts radicaal vernieuwde gemeenten zullen wereldwijd de stroom van nieuwe gelovigen kunnen opvangen’ (II, 368).

Een laatste opvallend punt in dit verband is dat Ouweneel de ziekenzalving nadrukkelijk tot derde sacrament verheft, omdat daaraan stoffelijke substanties (olie) te pas komen, net als bij doop (water) en avondmaal (brood en wijn). Dat de ziekenzalving niet – zoals doop en avondmaal – teruggaat op een rechtstreekse instelling door Jezus, ondervangt hij met een verwijzing naar Marcus 6:13. Vervolgens geeft hem dit de gelegenheid om de ziekenzalving uitvoerig in een tweetal hoofdstukken aan de orde te stellen (evenals het avondmaal, de doop zal in een later deel volgen). Ook hier weer lange lijsten van opsommingen, zoals de nodige condities bij resp. de voorbidders, de zieken en de omgeving. Genezing dient de regel te zijn, niet genezen de uitzondering. Voor dat laatste worden dan weer zeven mogelijke belemmeringen opgevoerd, die stuk voor stuk op het bordje van de zieke liggen, al blijft ook de bedienaar niet buiten schot. Toch is ook daar nog niet alles mee gezegd, want ‘soms is aan alle genoemde voorwaarden voldaan’ (let op de terminologie, genezing is bijna maakbaar) en ‘vindt er toch geen genezingswonder plaats’. Dan zou het tot de ‘verborgenheden in Gods regeringswegen’ kunnen behoren, al blijft de zieke er goed aan doen zich (weer!) af te vragen of er misschien zonde in zijn leven is waardoor de Here hem kastijdt (II, 201).

De kerk van Ouweneel
Het zal de lezer inmiddels duidelijk zijn dat ik met ‘de kerk van Ouweneel’ duidt op de hierboven beschreven sterk persoonlijke kleuring van dit boek. Gekleurd door de eigen biografie en de eigen (veelal recente) ervaringen binnen tal van kerken en bewegingen wereldwijd. Maar wat is nu die kerk van Ouweneel? Als ik het goed zie is dat een niet denominationeel gebonden kerk met een sterk charismatische inslag, open voor radicaal nieuwe vormen en (daardoor) met groot missionair effect. Dat is inderdaad een dynamische ecclesiologie (zoals hij m.i. terecht bepleit in zijn Inleiding) en in die zin ook zeer uitdagend. De poging om oude tegenstellingen te overstijgen en onbelast door een bepaalde traditie naar nieuwe ecclesiologische wegen te zoeken, is mij sympathiek en is ook hard nodig. Dan is het extra jammer dat alle kaarten zo eenzijdig gezet worden op een bepaalde vorm van radicale vernieuwing richting een geprofeteerde opwekking gebaseerd op een speculatieve uitleg van Openbaring 2 en 3. Dat is wat mij betreft niet de evangelische ecclesiologie die we nodig hebben. Als ik het een naam moet geven dan zou ik het een vrije charismatische ecclesiologie noemen. Voor een evangelische ecclesiologie is er nog steeds veel huiswerk te doen.

Op Goedgelovig.nl met toestemming overgenomen uit Soteria december 2011. Teun van der Leer is rector van het Baptistenseminarium. Hij groeide op in de Vergadering van Gelovigen en was ook enige tijd voorzitter van de Evangelische Alliantie.

https://goedgelovig.wordpress.com/2012/01/14/recensie-de-kerk-van-ouweneel/

Op zoek naar een Evangelische ecclesiologie

(Teun van der Leer, Soteria 28-4, 2011) “Er is geen onderwerp waarover evangelicals meer van mening verschillen dan over de kerk.”

Ouweneel (De Kerk van God I, p. 27) vraagt zich af of er wel een evangelische ecclesiologie is. Hij zegt dat we om vier redenen waarschijnlijk niet echt kunnen spreken van een evangelische ecclesiologie. Deze zijn:
1. Er is niet zo iets als een ‘evangelische kerk’. Er zijn teveel verschillende evangelische kerken met teveel verschillen in diverse opvattingen.
2. Het is niet goed duidelijk wat we onder ‘evangelisch’ verstaan.
3. Vrijkerkelijke evangelischen lijken vaak juist minder geïnteresseerd in het fenomeen ‘kerk’, ten eerste doordat zij teleurgesteld zijn in de traditionele kerken, en ten tweede doordat zij vaak sterk missionair gericht zijn. Hun prioriteit is niet gemeenten bouwen, maar zielen winnen voor Jezus.
4. Het individualisme heeft harder toegeslagen in evangelische kringen dan in traditionele kerken. Ze wisselen vaker van gemeente. Ze lijken makkelijker thuis te blijven als een gemeente hun niet bevalt. Ze gaan er over het algemeen vlotter van uit dat een christen het ook wel zónder gemeente, dat is: zonder de gemeenschap der heiligen kan stellen. Het is de gevaarlijke mentaliteit die inhoudt dat je God evengoed kunt dienen en aanbidden door in het bos te gaan wandelen als door in een gemeentelijke samenkomst te zitten. Nergens staat het samen ‘met alle heiligen’ (Efe. 3:18) sterker onder druk dan onder vrijkerkelijke evangelischen.

Daarom is volgens Ouweneel (p.28) een bezinning op ecclesiologie vanuit evangelische standpunt broodnodig. Hij probeert in zijn 2 (dikke) boeken over dit onderwerp daar naartoe te werken en de nodige bouwstenen aan te reiken. (Zie voor een interessante recensie van deze boeken Soteria 28-4,2012, p.45-49)

Een aantal zaken is m.i. wel duidelijk.

De kern van de evangelische ecclesiologie is het priesterschap van alle gelovigen. (Berkhof p.395, Ouweneel I, p.215-216). Dit is vanuit de Bijbel gebaseerd op Ex. 19:5, 1 Petr. 2:9, Jes. 61:6, Openb. 1:6 en 5:10. Bij dit priesterschap gaat het om de directe toegang tot God, er is geen bemiddeld ambt nodig. De laatste tijd wordt er ook de mondigheid van de gemeente mee bedoeld met recht op inspraak en mee-beslissen. Daarin is in de bedoelde Bijbelteksten niet gedacht, maar het ligt wel in het verlengde van de charismatische geleding der gemeente. (zie 1 Kor. 14:26, 1 Kor. 12, Efe. 4:14 spreekt over mondigheid van de gemeenteleden).

Het priesterschap van alle gelovigen impliceert ook dat er een gelijkwaardigheid is van alle gemeenteleden en bedieningen (Ouweneel, p.215) en hij ziet weinig ruimte voor hiërarchie in de gemeente. Het belangrijkste punt is dat er geen grote kloof is tussen ‘clerus’ (mensen die voor een taak of ambt zijn opgeleid) en ‘leken’, zoals vaak verweten wordt t.o.v. de traditionele kerken. De praktijk blijft om diverse redenen niet altijd overeen te komen met de theorie. Je kunt dit toetsen aan bijvoorbeeld de bediening van de sacramenten of het uitspreken van de zegen, wie doet dit en waarom?

Evert van de Poll (p.86-87) constateert een steeds grotere scheiding tussen podium en zaal in evangelische gemeenten. Hij zegt:
“Evangelische gemeenten zijn theologisch sterk gekant tegen de scheiding tussen geestelijken en leken. Ook al vervult de voorganger in de praktijk veelal een toonaangevende rol, het priesterschap van alle gelovigen is een dierbaar uitgangspunt. Dat gold altijd in het bijzonder voor zang en muziek. Nu komen, in aansluiting op de organisatie op de koorzang in het Oude Testament, geoefende muziekteams. Niet iedereen kan meedoen op grond van muzikale goede wil. Voeg daarbij de geluidstechnologie en de daarvoor benodigde kennis en apparatuur – waar zijn de dagen van de gitaar en piano zonder electronica gebleven? De podia gaan lijken op het koor in de middeleeuwse kathedralen: het afgebakende terrein van specialisten. In plaats van dat de gelovigen ‘samen’ komen, ontstaat er – onbedoeld, laten we aannemen – een andere dynamiek, die van het optreden en het schouwspel. De gemeente is verdeeld in toeschouwers in de zaal en de uitvoerders op het podium. Een andere mogelijk gevolg van de verbinding tussen lofprijzing en populaire stijlen, variërend van soft pop tot rock, is dat er een ambiance ontstaat waarin mensen muzikaal vermaakt worden. Dan krijg je een vermenging van genres; van de lofzang van de gemeente en christelijke entertainment.”

Volgens Van de Poll (Samen in de naam van Jezus, p.71,77) is de vrijheid in de liturgie het belangrijkste kenmerk voor evangelische gelovigen. “Waar de hoofdstroom van de reformatie een gereguleerde en gereglementeerde en dus uniforme liturgie kent, worden groepen zonder zo’n vaststaande liturgie non-conformistisch genoemd, omdat ze zich niet wilden onderwerpen aan het gezag van de staatskerk. Ze benadrukten de persoonlijke geloofsbeslissing, praktiseerden veelal de doop op belijdenis en kenden een hoge mate van autonomie van de plaatselijke gemeenten en kozen voor het vrijkerkelijke model van liturgie, d.w.z. geen gefixeerde liturgische vormen.”

(p.74) “De diensten van evangelischen kennen een aantal gemeenschappelijke kenmerken: een mix van reformatorisch en reveil, samenzang in een toegankelijk muzikale stijl, laagliturgisch (dat wil zeggen informeel, geen plechtstatigheid), nadruk op gemeenschapsbeleving en ruimte voor individuele bijdagen die soms charismatisch van aard kunnen zijn. In vergelijking met een gereformeerde kerk is de manier van preken meer appelerend en anekdotisch, en de presentatie van de prediker informeler.”

Met zijn boek wil Van der Poll aantonen en bereiken dat de evangelische beweging wel degelijk liturgische diepgang kan hebben. Tegelijk is het een praktisch handboek met vele voorbeelden en de bijbelse en theologische onderbouwing ontbreekt ook niet.

Drie modellen van kerk zijn (Chr. dogmatiek, p.526-534, Ouweneel I, p.238-242, 247-255)
In de ecclesiologie worden drie modellen van kerk-zijn onderscheiden. Deze zijn:
1. Het episcopale (of katholieke) model
2. Het presbyteriaanse (of gereformeerde) model
3. Het congregationalistische model

De belangrijkste verschillen tussen deze modellen zijn waar het gezag ligt en vandaan komt. Bij het episcopaalse systeem komt het gezag van boven (de bisschoppen), die gezag hebben over de plaatselijke bestuurders van de afzonderlijke gemeenten. De gemeenteleiders worden van bovenaf benoemd. Bij het presbyteriaanse systeem is de lokale oudste/ouderling de spil (en tevens hoogste ambt) van het kerksysteem en staat de ambtsdrager zowel tegenover als in de gemeente. In het congregationalisme is de plaatselijke gemeente zelfstandig, ook al kan zij georganiseerd zijn in een samenwerkingsverband. Oudsten worden door de gemeente aangesteld (en desnoods afgezet) en een voorganger kan door oudsten worden aangesteld. Ouweneel (p.242) onderkent drie overlappende modellen:
1. Een eenmansleiderschapsmodel, dat is een kerkmodel met één voorganger, met ‘daaronder’ eventueel een oudstenraad, die echter in verregaande mate ondergeschikt is aan de ene voorganger.
2. Een meervoudig leiderschapsmodel, dat is een kerkmodel waarbij de gemeente bestuurd wordt door een oudstenraad en niemand van de oudsten als primus interparis optreedt.
3. Een tussenvorm, waarbij er wel een meervoudig leiderschap is, maar een van de leiders de primus interparis is.

 Ambt: (vd Beek, p.195-275) en drievoudige ambtstructuur (Chr. dogmatiek, p.556, W&G,p.459)
Van de Beek (p.198) laat het ambt beginnen met de apostelen en beschrijft vervolgens de ontwikkeling van het ambt door de eeuwen heen. Chr. Dogmatiek zegt dat: “Historisch gezien kunnen we zeggen dat zich in de oude kerk een drievoudige ambtsstructuur ontwikkelde, namelijk die van bisschop, presbyter en diaken. De bisschop gold als degene die in een gebied of diocees het opzicht had en stond voor de eenheid. In navolging van Hand. 6:1-6 ging de reformatie verder met een tweevoudige structuur, namelijk een presbyteriaanse en een diaconale taak, waarbij de presbyteriaanse (predikant en ouderlingen) zich moesten concentreren op bewaring van de gemeente bij het Woord van Christus en de diakenen ervoor moesten zorgen dat niemand door gebrek of nood buiten de gemeenschap viel. In de praktijk bleef het priestelijke-liturgische doorwerken, mede door invloed van Calvijn.

In de loop de eeuwen is er een spanning ontstaan tussen de institutionalisering van de kerk en de charisma’s (gaven van de Geest, maar ook de diverse bedieningen). In de reformatorische (maar ook de RK kerk) leeft de opvatting dat de gaven van de Geest vooral functioneren door het ambt heen. De Pinkstertheologie gaat er vanuit dat de Geest en Zijn gaven worden gegeven aan iedereen (Joël 2:28, Hand 2:17, 1 Kor. 12:4,7). Hier gaat de leer en praktijk tussen de traditionele kerken en de Pinksterkerken uit elkaar lopen, hoewel er een hernieuwde openheid is voor het werk van de Heilige Geest in de traditionele kerken.

Sinds enige jaren is er een vernieuwde aandacht voor gemeentestichting. Vaak worden nieuwe vormen gebruikt of probeert men nieuwe doelgroepen te bereiken. Ook zijn er invloeden en uitdagingen van de ‘Emerging church beweging’. Naar aanleiding daarvan heeft Teun van der Leer een afstudeerscriptie geschreven over welke minimumfactoren een kerk moet hebben om zich kerk te kunnen noemen. Rafaël Nederland heeft dit met enkele kleine aanpassingen overgenomen. Dit kan ons ook helpen met onze gedachten over kerk-zijn in de bestaande situatie, maar ook bij gemeentestichting.

 Om over na te denken?
Wat kunnen we zelf doen (en geloven) om een gezonde gemeente (of denominatie) te zijn met gezond leiderschap (en vruchtbaar is)? En waar hebben we anderen bij nodig?

Bibliografie:
 Barnard, dr. M. (red.), De weg van de liturgie, Meinema 1998
 Beek, dr. A. van de, Lichaam en Geest van Christus, Meinema 2012
 Beek, dr. A. van de, Gemeente van Christus, schetsen voor de praktijk, Meinema 2013
 Berkhof, dr. H., Christelijk geloof, Callenbach, 1985 (5e druk) (p.335-413)
 Brink, dr. G. van den & dr. C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Boekencentrum 2012 (p.517-578)
 Duffield, Guy P. & Van Cleave, Nathaniel M. Woord en Geest Hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging, Kok Kampen 1996 (p.445-492)
 Erwich, René, Veelkleurig verlangen, Wegen van missionair gemeente-zijn, Boekencentrum 2008
 Fee, Gordon, De Heilige Geest in de Gemeente, Novapres 1996
 Ferguson, Everett, The Church of Christ, Wm. B. Eerdmans Publishing 1996
 Gibson, Alan F. (editor), The Church and its Unity, Inter-Varsity Press 1992
 Ouweneel, dr. Willem J., De Kerk van God I, Medema 2010
 Ouweneel, dr. Willem J., De Kerk van God II, Medema 2011
 Poll, Evert W. van de, Samen in de naam van Jezus, Boekencentrum 2009
 Derek Prince, Gods Kerk herontdekt, DPN Nederland 2007
 Versteeg, dr. J.P., Kijk op de kerk, Kok 1990
 Volf, Miroslov, After Our Likeness, Wm. B. Eerdmans Publishing 1998
 Watson, David, I Believe in the Church, Hodder and Stoughton, 1987

Introductie ecclesiologie.

In het dagelijks spraakgebruik wordt het woord kerk op diverse manieren gebruikt.

Wat is de kerk?
1. Gebouw
In deze betekenis wordt het woord kerk vaak gebruikt. “Ik ga naar de kerk.” Een gebouw is ook zichtbaar, kun je bezoeken, ook als je er geen lid van bent en je kunt genieten van de schoonheid en architectuur ervan, vooral in de wat oudere Rooms-Katholieke kerken. De voorlopers van een gebouw waar God aanbeden werd, waren in het Oude Testament de tabernakel, de tempel en de synagoge. In het Nieuwe Testament komen de gelovigen samen in de tempel en bij mensen thuis (Hand. 2:24, 20:7-8). Stefanus verklaart echter duidelijk dat “God niet woont in wat men met handen maakt.” (Hand. 7:48).

Over de geschiedenis van Kerkbouw en kerkgebouw en het belang ervan voor de liturgie (zie De weg van de liturgie, p.359-370).

2. Kerkgenootschap
“Bij welke kerk hoor jij? Ik ben Gereformeerd. Ik ben Katholiek.” Na bijna 2000 jaar kerkgeschiedenis is de kerk inmiddels opgesplitst in vele duizenden kerkgenootschappen (denominaties), waarvan sommige beweren dat zij de enige, ware kerk zijn. De vraag is of de vele kerkgenootschappen een goed getuigenis is van de eenheid die God wil.

3. Mensen (vaak uitgedrukt in beelden of metaforen)
De kerk is (in de eerste plaats) een groep mensen, gelovigen, de volgelingen van Jezus, het volk van God. We horen bij de kerk, de gemeente. We zijn de kerk.

4. Kerkdienst
Een gemeente bestaat behalve uit mensen ook uit activiteiten. De belangrijkste daarvan is de kerkdienst, of de samenkomst/bijeenkomst (1 Kor. 11:18,20, 14:19,23), waarvan we worden opgeroepen die niet te verzuimen. Hebr. 10:25
“Want waar twee of drie vergaders zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden” Matt.18:20
“Telkens als gij samenkomt, heeft een ieder iets.” 1 Kor. 14:26

Voor Bram van de Beek is de kerkdienst het hart van de kerk. (Gemeente van Christus, p.13)
“Het centrum van het christelijk leven is de zondagse eredienst. Daar wordt het Woord over de kerk uitgesproken en viert zij het eeuwig leven.”
“De viering is het hart van het kerkelijk leven: de gemeente mag zich stellen onder Christus en de eenheid met Hem ontvangen en geloven. De viering is deelhebben aan het eeuwige leven. Daarom is het zaak een zorgvuldige liturgie te hebben. Daarin moeten allereerst de vaste elementen plaatsvinden. Vaste elementen geven structuur aan het leven. Juist bij vaste elementen moet de tekst ook vastliggen. Zij geven oriëntatie in de overvloed van ervaringen en gevoelen.

Ik denk dat de grootste verschillen tussen de traditionele kerken enerzijds (RK en PKN) en Evangelisch anderzijds, niet ligt in theologische verschillen, maar in de liturgie, d.w.z. de invulling van de eredienst. (zie ook het boek van Evert van de Poll, Samen in de naam van Jezus)

 Het wezen van de Kerk. Terug naar de ‘oude kerk’.

(Bram v.d. Beek, p.11) “Het is tijd om orde aan te brengen in de theologie. Laten we maar eens goed luisteren naar wat er in het begin is gezegd. Waar is het allemaal mee begonnen? Daarom is ervoor gekozen de theologie van de eerste drie eeuwen de basis van dit boek te laten zijn.”

In de belijdenis van Nicea-Constantinopel (381) worden vier kenmerken van de kerk genoemd (de notae ecclesia), namelijk: Wij geloven ‘in één, heilige, katholieke en apostolische kerk.’ Deze kenmerken kunnen helpen om het wezen en bedoeling van de kerk beter te begrijpen en zien waar de vroege kerk in geloofde.

 Eenheid1
De eenheid van de kerk is fundamenteel, omdat God een is. Immers: “één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en één Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen.” (Efe. 4:4-6). Paulus maakt duidelijk dat Christus niet gedeeld is (1 Kor.1:13), daarom kan de kerk ook niet gedeeld of verdeeld zijn. Ook het Oude Testament getuigt nadrukkelijk van Gods eenheid. “Hoor Israël, de Here is onze God, de Here is één.” (Deut. 6:4). Ook het gebed van Jezus gaat over eenheid. Hij bidt dat ‘zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat zij ook in Ons zijn…opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn; Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één.” (Joh. 17:21-33). De eenheid van de kerk is voor haar net zo essentieel als de eenheid van God voor zijn godheid. De eenheid van de kerk is niet alleen een ecclesiologische uitspraak, maar een theologische uitspraak in engere zin. Een verdeelde kerk is erger dan een zondige wereld. Voor een zondige wereld is Gods genade beschikbaar, maar volgens van de Beek niet voor een verdeelde kerk met verwijzing naar Hebr. 6:4-6. Voor de vroege kerk waren de ketters niet alleen degenen die verkeerde dingen over God zeiden, maar ook door niet in de eenheid van de kerk te zijn.

De eenheid in Christus gaat ook de verschillen van man of vrouw, Griek of Jood, vrije of slaaf te boven. (Gal. 3:28, Efe. 2:13-22). De verschillen zijn niet weg, maar zijn niet relevant meer en niet bedoeld om elkaar uit te sluiten, maar juist in te sluiten in het ene Lichaam van Christus. Ook verschil in accenten of beleving van het geloof (Gal. 2:9) of bediening (1 Kor. 3:6) kan en mag de eenheid niet beschadigen. Veeleer vult dit elkaar aan.

Ook kent en erkent de kerk maar één doop. In de derde eeuw waren er spanningen over mensen uit ketterse groepen die zich bij de kerk aan wilden sluiten. Aangezien zij al in hun eigen groep gedoopt waren, was de vraag of ze overgedoopt moesten worden of dat hun eigen doop erkend zou moeten worden als een geldige doop. De kerkvader Cyprianus was een groot voorstander van overdopen (in tegenstelling tot de toenmalige bisschop van Rome Stephanus), omdat als je die volgens hem ongeldige doop zou erkennen, je alles qua opvattingen en praktijken van de ketters moet erkennen. De doop was voor hem niet los verkrijgbaar van Christus en de kerk. Voor Cyprianus was het geloof geen bouwpakket dat men zelf samenstelt. Vanaf Augustinus werd het wel mogelijk om bepaalde elementen van het geloof te kunnen halen en als de essentie van de kerk te zien. Rome heeft de eenheid vooral willen bewaren door het formele ambt. De reformatie ziet de eenheid in Woord en sacrament. Het piëtisme zweert bij een geestelijke eenheid. Evangelischen zoeken de eenheid vooral in het persoonlijk geloof. Zo wordt het elk wat wils. De vele denominaties die zo ontstonden zijn tegen alles wat de vroege kerk heeft geloofd en beleden. Ook kunnen we volgens van de Beek niet zeggen dat we een geestelijke eenheid hebben, de eenheid van het hart. Dat gaat lijnrecht in tegen de vroegkerkelijke ecclesiologie. De kerk is namelijk de zichtbare gestalte van Gods wonen in de wereld en God is één. Eenheid in de kerk is voor Van de Beek meer dan alleen de eenheid van de kerkgenootschappen en kerkhereniging. Ook vertrekkende leden vallen hier onder. Jezus zoekt immers het ene verloren schaap, al zijn er negenennegentig in de stal (Luc. 15:1-7). Eenheid van de kerk kan niet zonder het ene verloren schaap.

 Heiligheid2
Bij het denken over de heiligheid van de kerk moeten we niet beginnen met de heiligheid van de leden. Zeker buitenstaanders zien snel de onheiligheid (of schijnheiligheid) in de kerk. Toch begint de Bijbel niet met de collectieve of individuele morele heiligheid. Niet het morele is bepalend. Heiligheid is een eigen categorie. ‘Heilig’ betekent in de eerste plaats gewijd aan God. Ook voorwerpen werden in het Oude Testament (vooral in Exodus en Leviticus) heilig genoemd, omdat ze niet voor dagelijks gebruikt mochten worden gebruikt, maar alleen in de eredienst. Sommige voorwerpen waren zelfs allerheiligst (Ex. 29:37, 30:10, 40:10, 30:26-29). Israël is als volk ook toegewijd aan God en wordt daarom heilig genoemd (Ex. 19:6, Deut. 7:6, 14:2, 21, 26:19, 28:9). De basis hiervoor ligt bij God, die zelf heilig is (Lev. 11:44, 19:2, 20:26). God gaf de Torah als handleiding aan Israël om ook heilig te leven, niet een moreel perfectionisme, maar voor de priesters als handleiding voor hun dienst in het heiligdom en voor het volk als handboek voor hun offers en hun sociale verbanden. Als Israël zich niet aan zijn roeping hield, volgde het oordeel. Maar altijd verkondigden de profeten Gods genade. Jeremia spreekt al van een nieuw verbond (Jer. 31:31-34). De boodschap dat God heilig is in zijn toorn en genade, is een terugkerende boodschap van de profeten (Hos. 11:9, Ezech. 37, Zach. 14:20). Heiligheid in het Oude Testament is gefundeerd in de heiligheid van God en niet in de morele kwaliteiten van Israël. Israël blijft het heilige volk, ook als het voortdurend faalt in zijn heilige dienst.

Het Nieuwe Testament geeft aan de heiligheid van God een hernieuwde invulling. Hier wordt Jezus de Heilige genoemd (Hand. 3:14), er komt een nieuw priesterschap (Hebr. 7). God schept een nieuw volk (Openb. 5:9, 7:9) uit alle volken. Deze nieuwe gemeenschap in Christus, bestaat uit Joden en heidenen en is het nieuwe heilige volk. “Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom…” (1 Petr. 2:9). De kerk is aan God toegewijd, Hem behoort zij toe en daarom is zij heilig. De kerk viert haar heiligheid in het heilig avondmaal met het heilige brood en de heilige wijn, nadat haar leden door de heilige doop geheiligd zijn door de Heilige Geest. Daar is de gemeenschap met de Heilige en de gemeenschap met de heiligen. Daarom worden de leden van de kerk in het Nieuwe Testament zo vaak heiligen genoemd. Christenen zijn heiligen en heiligen zijn christenen. Zij behoren toe aan Christus en zijn heilig in Hem.

Vanaf het eerste begin heeft de kerk te stellen gehad met zonden in haar midden. Het eerste echtpaar dat we tegenkomen in de kerk zijn als een nieuwe Adam en Eva. Ananias en Saffira bezweken ook voor de begeerte (zie Gen. 2:17) en worden ook gestraft (Hand. 5:1-7). Lucas schrijft: “En er kwam grote vrees over de gehele gemeente en over allen, die dit hoorden.” (Hand. 5:11). Want wat moet je als de heiligen niet meer heilig zijn? Volgens Van de Beek zijn Ananias en Saffira symboolfiguren voor zonde in de kerk. Paulus schrijft ook tegen de strijd tegen de zonde (Rom. 7:13-26). Mensen maken fouten en zondigen. De eerste christengemeente is geen ideale gemeente, net zomin als de kerk van nu een ideale gemeente is. Daarom vieren we het avondmaal tot vergeving van zonden. De vroege kerk was streng in haar tucht, want de kerk is het heilige lichaam van Christus. In de cultuur van de eerste eeuwen, vielen de christenen sneller op door hun levenswijze die anders was. “Maar gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen.” (Efe 4:20). Volgens Van de Beek schieten we regelmatig als kerk te kort om anders te zijn. Toch is de kerk heilig naar haar wezen, omdat ze aan God toebehoord. Als de kerk niet heilig is, is ze geen kerk. Daarom is het van belang om te spreken over de zichtbare kerk. De kerk is altijd zichtbaar. Daarom is de vermaning van Petrus ook nog steeds van kracht. “Weest heilig, want ik ben heilig.” (1 Petr. 1:16).

Van de Beek eindig zijn betoog over heiligheid met de vraag: “ben je een aan God gewijde gemeenschap en functioneer je als zodanig? Ben je licht der wereld als de zichtbare gestalte van de Geest van Hem die het Licht der wereld is?”

 Katholiciteit3
De eerste kerkvader die het woord ‘katholiek’ gebruikt is de kerkvader Ignatius in 110. Hij schreef: “Waar Jezus Christus is, daar is de katholieke kerk.” De verbinding tussen deze twee is dan de bisschop. Vanaf de derde eeuw gaat men spreken van het katholieke geloof. Het katholieke geloof is het ongeschonden geloof dat de volheid van Christus in zijn omvattende betekenis en realiteit bewaart. Er worden geen dingen uit weggelaten. Aangezien het geloof ten nauwste verbonden is aan de eucharistie, kan men ook de band met de vierende gemeente niet loslaten. ‘Katholiek’ wil zeggen dan men de eenheid van de kerk bewaart. Je kunt niet los van de kerk, die samenkomt onder leiding van de bisschop, eeuwig leven ontvangen, want het lichaam van Christus is één. Zo krijgt het woord katholiek door de eeuwen heen een steeds sterkere betekenis.

Cyrillis (315-386) noemt vijf aspecten van de katholiciteit van de kerk:
1. Zij is wereldwijd
2. Zij omvat de gehele leer
3. Zij omvat alle mensen uit alle sociale lagen
4. Zij schenkt vergeving voor alle zonden
5. Zij bezit alle deugden en gaven

1. Wereldwijd. Dit is vanaf het begin al zo geweest. Jezus gaf in Matt. 28:19 zijn discipelen de opdracht om het evangelie aan alle volken (wereldwijd) bekend te maken. Katholiciteit verwijst dus naar de overvloed van heil voor de hele wereld, die voortvloeit uit die ene bron, Jezus Christus. Zoals Hij het licht der wereld is, zo is zijn kerk het licht der wereld. Dat is zij niet alleen voor de volken in geografisch opzicht, zij is dat ook voor alle volken in cultureel opzicht.

Vanaf de derde en vierde eeuw richt dit begrip zich tegen de schismatici, mensen en groepen die zich van de kerk afscheiden. Zij zijn geen kerk, want de kerk is katholiek, d.w.z. wereldwijd aanwezig. De afsplitsingen zijn vaak slechts regionaal aanwezig. Zodra een (lokale) kerk zich zelfstandig gaat opstellen en zich niets aantrekt van de universele kerk, dan is zij niet meer katholiek.

Kerken hechten aan hun autonomie. Zelfs lokale kerken hechten aan hun autonomie. Zij nemen hun eigen beslissingen, zonder dit te toetsen aan de wijsheid van anderen. Zij wensen hun besluiten niet te onderwerpen aan de wereldwijde katholiciteit van de kerk. Een gevolg van de drang naar autonomie is ook dat men er aan gewoon geraakt is dat er allerlei splinterkerken zijn. Bijgevolg stichten mensen die zich vaak niet kunnen vinden in een besluit van hun nationale of lokale kerk makkelijk een eigen kerkgenootschap. Dat is het einde van alle katholiciteit. Het kan echter nog verder gaan: soms krijgt men de indruk dat bepaalde personen alleen vanwege hun persoonlijke status een eigen kerk stichten, naar hun eigen persoonlijke voorkeuren. Afgezien van allerlei andere bedenkingen bij deze praktijk, moeten we in elk geval constateren dat deze denominaties de naam ‘kerk’ niet verdienen, want ze zijn niet katholiek.

Van de Beek is ook geen voorstander van de autonomie (zelfstandigheid) van de plaatselijke gemeente. Hij zegt: Het is duidelijk dat de vroege kerk, ook het Nieuwe Testament, anders dacht. Daar worden belangrijke beslissingen gezamenlijk genomen, zoals op de vergadering in Jeruzalem. De gemeenten uit de heidenen trekken niet autonoom hun lijn, maar samen zoeken de kerken de eenheid van het geloof. Dat is de hele tendens in de eerste eeuwen. Het beroep op autonomie is eerder een expressie van moderniteit dan van christelijk geloof.

De kerk is wereldwijd. “Katholiek’ betekent dus ‘zover de kerk zich uitstrekt.’ Daarbij worden grenzen doorbroken, van culturele en van politieke aard. Zonder de gezamenlijke viering van het avondmaal kunnen we niet spreken van katholiciteit. Daarom is het niet voldoende om te wijzen op de ‘oecumene van het hart’, er mag dan wel geen institutionele eenheid zijn, maar als het gaat om geloofsbeleving dan herkennen we elkaar. Je ontmoet mensen met wie je een diepe verbondenheid kunt ervaren in het geloof. Dat is echter geen katholiciteit. Hier wordt één aspect van het geloof uit de totaliteit van alle facetten van de kerk uitgelicht, en daarom is het per definitie géén katholiciteit. Orthodoxe kerken in Oost-Europa hebben zich teruggetrokken in hun eigen nationalisme. De Rooms-Katholieke kerk is per definitie niet katholiek omdat zij een centrum heeft in Rome en de bisschop van Rome de uiterste (gezags)instantie is in plaats van de gemeenschap van alle gelovigen onder leiding van hun bisschoppen. Van de Beek noemt dat zelfs sektarisch. De evangelische groepen en pinksterkerken zijn zelfs katholieker, omdat zij een sterker besef hebben van het wereldwijde aspect van katholiciteit, vaak door een netwerkstructuur waardoor ze wereldwijd verbonden zijn.

Katholiciteit kan alleen bestaan in de gemeenschap van alle gelovigen van alle eeuwen en plaatsen. Net als met eenheid en heiligheid blijkt echter het belijden en functioneren vaak ver uit elkaar te lopen. Toch zijn dit niet bijkomende kenmerken van de kerk, maar expressies van haar wezen. De kerk is katholiek.

2. De gehele leer.
Het tweede aspect van de katholiciteit is de volheid van de leer. Alles wat God ons heeft geopenbaard wordt in de kerk verkondigd en beleden. Deze volheid is het katholieke geloof. Meer nog dan bij het wereldwijde aspect valt het contrast met het tegendeel op: de ketters hebben een deelwaarheid. Ze nemen uit het geheel van de christelijke geloofsleer alleen bepaalde momenten en maken die tot de kern. Katholiciteit betekent daarentegen dat de volheid van het geloof in al haar aspecten wordt bewaard. In de strijd tegen de ketterijen in de vroege kerk werden sommige accenten in de geloofsleer echter wel meer benadrukt. Al deze accenten schaden de volheid van de leer niet, maar dragen die juist. Dat wordt echter anders als bepaalde accenten zo verabsoluteerd worden dat de rest van het geloofsgoed wordt genegeerd of zelfs ontkend, en dat men zich niet meer door anderen wil laten corrigeren. Dan is men dus niet meer katholiek, en dus geen kerk. Behalve om de geloofsleer gaat het ook om het functioneren van de kerk. Bewaard men de volheid van de leer en de totaliteit van de Schrift? Bepaalde gedeelten van de Bijbel spelen nauwelijks een rol in de meeste kerkgenootschappen. Bepaalde accenten van het geloof worden genegeerd en zelfs ontkend. In die zin is de verkondiging niet katholiek te noemen.

 Apostoliciteit4
Apostoliciteit wil zeggen dat de kerk trouw is aan de apostelen. Zij grijpt in haar handelen en spreken terug op wat zij van de apostelen heeft geleerd. De apostoliciteit wijst op de traditie waarin zij staat: geen andere dan zij van de apostelen ontvangen heeft. Reeds Paulus schrijft aan de Korinthiërs dat hij aan de gemeente heeft doorgegeven wat hij ook zelf bij overlevering ontvangen heeft. (1 Kor. 11:23). Dat wordt doorgegeven aan nieuwe mensen en zo ontstaat door de tijd heen een traditielijn vanaf de apostelen.

In de vroege kerk wordt de Apostoliciteit vooral ter sprake gebracht tegenover ketterse stromingen: zij leren niet in overeenstemming met wat de apostelen verkondigd hebben. Zij voeren gebruiken in die de apostelen niet hebben gebruikt. De kerk moet zich onverdeeld houden aan de volheid en volkomenheid van de kerk van de apostelen. Toch is het ook waar dat de kerk vanaf het begin heel divers was. Paulus en Jacobus hebben een duidelijk ander visie op de verhouding van geloof en werken. Dat wil niet zeggen dat ze wezenlijk anders dachten, de omstandigheden konden zo zijn dat ze andere accenten moesten worden gelegd. In de vroege kerk ontstond een grote diversiteit en stromingen en pas in de loop van tijden is daaruit de ‘orthodoxie’ ontstaan. Er moest een definitie mogelijk zijn van wat christendom was, anders was het niet te onderscheiden van de andere stromingen. De kerk heeft de vraag wat christenen (Hand. 11:26) zijn altijd beantwoord. De kern van het christelijk geloof wat vanaf het begin wel duidelijk: christenen zijn zij die Jezus als Here belijden, dat wil zeggen: die Hem identificeren met de God van Israël. Daarmee is de naam christen geijkt. Als men zich nu ‘christen’ noemt, doet men dat met de claim dat men staat in de traditie die met de apostelen begonnen is. Daarmee kan men ook onderscheiden wat christelijk is en wat niet en daarmee dus ketterij. Christenen kunnen niet afwijken van de fundamentele zaken van het geloof, zoals de belijdenis dat Jezus Heer is, de belijdenis van de opstanding uit de dood en de belijdenis dat Jezus werkelijk mens was. Dat vindt men terug in het Nieuwe Testament. In de eerste eeuw werden afwijkingen daarvan buitengesloten. In de tweede eeuw werden deze groepen groter en vormden eigen organisaties met hun eigen literatuur en liturgie. Zij hebben zich bewust gevormd als tegenkerk en hun leer en praxis zijn daar ook door gevormd. Van sommige groepen is minder bekend, zoals allerlei gnostische groepen.

Er is dus wel degelijk een geloofsgoed en een praxis van de kerk in de eerste generatie, die men onder de definitie ‘christelijk’ kan samenvatten. Men kan die niet naar believen oprekken of veranderen. Die verbondenheid van de apostelen betekent een verankering in de tijd. Maar de kerk krijgt ook te maken met ander tijden en nieuw contexten. Daar kan een spanningsveld ontstaan met betrekking tot het begrip apostoliciteit. Aan de ene kant zijn er mensen die alles bij het oude willen laten. Dit kan leiden tot een rigide conservatisme. Men houdt zich strikt aan alle woorden en rituelen van de apostelen. In de praktijk is dat gewoonlijk dat men zich houdt aan woorden en gebruiken zoals die in een bepaalde periode van de kerkgeschiedenis vorm hebben gekregen. In de (oosters) orthodoxe kerken zie je een liturgie die niet meer veranderd is sinds de Middeleeuwen. Gereformeerden kunnen de kerkinrichting van de zestiende of vroeg-zeventiende eeuw voor de enige juiste houden. Dikwijls is het beroep op de traditie niets anders dan vasthouden aan de bestaande situatie en dus puur conservatisme. Woorden en daden hebben een andere impact in een andere situatie. Daarom impliceert de apostoliciteit niet alleen dat men trouw blijft aan de apostelen, maar ook dat men die apostolische traditie ‘in rapport brengt met de tijd’. (Abraham Kuyper). Het gaat niet om een blind herhalen van wat de apostelen zeggen en deden, maar om de veel moeilijkere opgave om hen te verstaan en hun geleefde en beleden geloof zo te zeggen en zo te doen dat ons spreken en handelen hetzelfde bedoeld als zij zeggen. Dat alles hoort bij de apostoliciteit.

 Woord en sacrament5
De vier kenmerken van de kerk die het Niceanum noemt worden door vrijwel de hele wereldkerk aanvaard. De reformatie heeft daar echter andere kenmerken naast gezet, de verkondiging van het Woord en de bediening van de sacramenten. Deze kenmerken zijn niet bedoeld om de vier van de vroege kerk te vervangen. Veeleer moeten ze worden opgevat als de inhoudelijke weergave daarvan. Ze functioneren ook anders. De klassieke kenmerken zijn expressies van het wezen van de kerk: deze is één, heilig, katholiek en apostolisch. De reformatorische kenmerken dienen veel meer als criterium om te toetsen of een gemeenschap zich terecht met de naam ‘kerk’ siert. Voor de vroege kerk was het eenvoudig waar de kerk was: wie in gemeenschap met de ordentelijk aangestelde bisschop stond. Toen na de 16e eeuw zich steeds meer gemeenschappen zich met de naam’ kerk’ gingen sieren en de eenheid rond de bisschop niet meer aanvaarde, moest men naar inhoudelijke criteria gaan zoeken. Dat werden dus de verkondiging van het Woord en de bediening van de sacramenten. Vanaf Calvijn werd daar het woord zuiver aan toegevoegd. De zuivere prediking en de zuivere bediening van de sacramenten. Maar dat was lastig objectief vast te stellen. Daarover had elk zijn eigen mening. Het gevolg was dat ieder zijn eigen oordeel kon vormen over de ware kerk. Als men het niet eens was met de prediking dan kon men zeggen dat dit geen zuivere verkondiging was en men zich dus bij een andere groep aan moest sluiten. De ijver voor de zuiverheid van het Woord is een bron van schisma’s. Dat is een merkwaardig verschijnsel, want juist het Woord zegt dat de kerk één moet zijn. De zuivere verkondiging is losgemaakt uit het geheel van het katholieke geloof en een eigen leven gaan leiden. De nadruk op de inhoud van het geloof maakt dat protestanten moeilijk terugkeren naar de eenheid van de kerk.

Terwijl de klassieke kenmerken een dam waren tegen schisma’s, zijn de protestantse kenmerken een bron van schisma’s. Zo wordt de verdeeldheid steeds groter en groeien de eenzijdigheden.

(W&G over eenheid: p.453-454):
“De ideale omstandigheid voor de gemeente op aarde is ongetwijfeld een wereldwijde eenheid in leer en organisatie. Maar toen de kerkelijke hoofdstroom in de loop der tijd zowel in leer als leven steeds verder ging afwijken van de Schrift, was het onvermijdelijke dat er hervormingen optraden, die op hun beurt weer werden afgewezen door de kerk waarin ze plaatsvonden.”

“Wellicht heeft God het systeem van kerkgenootschappen gebruikt om het vuur van de opwekking en de zendingsijver door de eeuwen heen te bewaren.”

“Het is bijbels dat plaatselijke gemeenten elkaar opzoeken, de onderlinge gemeenschap beoefenen en samenwerken in zending en evangelisatie (2 Kor. 8:1-9,23v, Tit. 1:5)

(Bram van de Beek, p.185) “De ecclesiologie is het verdrietigste thema van de christelijke theologie en het verdrietigste is dat mensen er geen verdriet meer over hebben.”

Bibliografie:
 Barnard, dr. M. (red.), De weg van de liturgie, Meinema 1998
 Beek, dr. A. van de, Lichaam en Geest van Christus, Meinema 2012
 Beek, dr. A. van de, Gemeente van Christus, schetsen voor de praktijk, Meinema 2013
 Berkhof, dr. H., Christelijk geloof, Callenbach, 1985 (5e druk) (p.335-413)
 Brink, dr. G. van den & dr. C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Boekencentrum 2012 (p.517-578)
 Duffield, Guy P. & Van Cleave, Nathaniel M. Woord en Geest Hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging, Kok Kampen 1996 (p.445-492)
 Erwich, René, Veelkleurig verlangen, Wegen van missionair gemeente-zijn, Boekencentrum 2008
 Fee, Gordon, De Heilige Geest in de Gemeente, Novapres 1996
 Ferguson, Everett, The Church of Christ, Wm. B. Eerdmans Publishing 1996
 Gibson, Alan F. (editor), The Church and its Unity, Inter-Varsity Press 1992
 Ouweneel, dr. Willem J., De Kerk van God I, Medema 2010
 Ouweneel, dr. Willem J., De Kerk van God II, Medema 2011
 Poll, Evert W. van de, Samen in de naam van Jezus, Boekencentrum 2009
 Derek Prince, Gods Kerk herontdekt, DPN Nederland 2007
 Versteeg, dr. J.P., Kijk op de kerk, Kok 1990
 Volf, Miroslov, After Our Likeness, Wm. B. Eerdmans Publishing 1998
 Watson, David, I Believe in the Church, Hodder and Stoughton, 1987

Doel van de Gemeente

“De verwarring rond ecclesiologie en pneumatologie is groot.“ Dr. A. van de Beek, 2012

“één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en één Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen.” Paulus, Efe. 4:4-6, (60)

“Wij geloven in één, heilige, katholieke en apostolische kerk.” Geloofsbelijdenis van
Nicea-Constantinopel(381)

1. Inleiding:
In dit artikel maken we een begin met het onderwerp Kerk (of Gemeente). In de theologie wordt de leer van de kerk ecclesiologie genoemd. Woord&Geest behandelt dit uitgebreid in hoofdstuk 8 (p.445-492) en in het algemeen wordt in de systematische theologie (dogmatiek) dit onderwerp als aparte leerstelling behandeld.

“Ecclesiologie is de bestudering van het wezen, de instellingen, de bediening, de opdracht en de regering van de gemeente.” (W&G, p. 449)

Het Nederlandse woord ‘kerk’ komt van het Griekse woord ‘kyriakon’ wat betekent ‘behorend bij de Heer’, wat twee keer in Bijbel voorkomt (1 Kor. 11:20 en Openb. 1:10). In de tijd van het NT werd dit nooit gebruikt voor de gemeente, in de na-apostolische periode werd dit pas gebruikt om een kerkgebouw aan te duiden. De weinige aanduidingen die we in het NT tegenkomen voor godsdienstige gebouwen zijn ‘tempel’ en ‘synagoge’. (Hand. 2:46, 5:42 en Jak. 2:2). Het gebruikelijk woord voor gemeente in het NT is het woord ‘ecclesia’, wat betekent ‘een samenkomst van mensen’, wat ook bekend was uit het dagelijkse leven. (Hand. 19:32). Het is in het NT dus (nog) niet een samenkomen van alleen gelovigen. De enige keer dat Jezus de woorden ‘ecclesia’ gebruikt, is in Matt. 16:18 ‘en op deze rots zal ik mijn gemeente bouwen.’ waarbij volgens W&G (p. 450) de nadruk ligt op ‘mijn’ en niet op ‘gemeente’. Hiermee is het unieke van de gemeente niet dat zij ‘ecclesia’ wordt genoemd, maar dat de vergadering van gelovigen bij Jezus hoort. Het ‘Lichaam van Christus’ is een beeld wat hier goed bij past (1 Kor. 12:27). Paulus gebruikt ook diverse malen de term ‘gemeente Gods’ (1 Kor. 1:1, 2 Kor. 1:1).

Bram v.d. Beek (p.14-20) noemt diverse beelden van de kerk, omdat zij ieder een eigen aspect en accent van de kerk beschrijven en kan op die manier een stukje van de volheid van de kerk benadrukken. “De beelden voor de kerk zijn niet scherp omlijnd en ook niet duidelijk gescheiden. De gedachten bewegen zich rond de focus van het beeld en ze lopen makkelijk in elkaar over.” “De verschillende beelden geven juist in hun vloeiende karakter aan dat de relatie tussen Christus en de gemeente niet op één manier kan worden weergegeven.”

 Doel van de Kerk.
W&G (p.449) “God heeft de gemeente ingesteld om daardoor het evangelie te prediken en de gelovigen op te bouwen.”

Spreuken 16:4 “De Here heeft alles gemaakt voor zijn doel.”

Ik kom tot een drietal doelen met de gemeente, die elkaar niet uitsluiten, maar aanvullen
1. Voor de gelovigen (opbouw, discipelschap, gemeenschap) Efe. 4:13, Matt. 28:18-20, Hand. 2:42, 1 Kor.10:16-17 (W&G. p.462-464)

2. Voor de wereld (grote opdracht) 1 Petr. 2:9, Matt. 28, Marc. 16:15
Het is duidelijk dat we het goede nieuws niet voor ons zelf mogen houden, maar verkondigen en uitdelen aan anderen. (Rom. 1:16, 10:14-16)

3. Voor God. God eren/aanbidden (Joh. 3:24, Hand. 26:7, Rom. 12:1, Openb. 6:15, 22:4, Hebr. 13:15) (W&G, p.464)

(David Watson, p.179) “The primary task of the church is to worship God. Even before the obvious evangelistic and missionary work, God’s people are called to be a worshipping community.”

Chr. dogmatiek (p.525) noemt de eerste twee punten: “De tweevoudige dynamiek van ‘behoren bij’ en ‘gezonden worden’ komen samen in het beeld van het volk van God, dat God zich ten eigendom heeft verworven om zijn grote daden te verkondigen (1 Petr. 2:9). Deze gemeenschap dient het heil van God in de wereld present te stellen.”

(Chr. dogmatiek, p.526): “Er is geen reden voor laatdunkendheid jegens het institutionele of zichtbare van de kerk of van een gemeente. Integendeel, het theologisch uitgangspunt is alles wat de kerk doet door middel van organisatie, ambten, sacramenten, rituelen, indeling van tijd en ruimte, muziek en missionair-diaconaal werk in dienst staat van het doel: de bemiddeling in het heil dat Christus aan zijn gemeente schenkt. Daaraan is alles ondergeschikt”

 Wanneer begon de Kerk?

1. Op de 1e Pinksterdag (Hand 2:41-47) (Ferguson, p.63)

Bijna vanzelfsprekend wordt aangenomen dat de Kerk (of Gemeente) begonnen is op de 1e Pinksterdag.

Op de eerste Pinksterdag zien we de uitstorting van de Heilige Geest over de discipelen (Hand. 2:4), wat leidt tot een grote evangelisatiepreek van Petrus (Hand. 2:14-40), wat weer leidt tot de bekering én doop van 3000 mensen (Hand. 2:41). Deze mensen werden toegevoegd aan de kring van hen die geloven (Hand. 2:41, 47, 11:25 “En een brede schare werd de Here toegevoegd.”) en bleven volharden in een aantal zaken zoals onderwijs, gemeenschap, breken van het brood en de gebeden. Activiteiten die sindsdien de kern vormen van de kerkdienst door de eeuwen heen.

Petrus markeert de uitstorting van de Heilige Geest als het begin van alles in een latere situatie (Hand. 11:16). Er zijn zeven nieuwe beginnen:
1. Het begin van het tijdperk van de Heilige Geest.
2. Het begin van de openbare bekendmaking dat Jezus de Christus is. (Hand. 2:36)
3. Het begin van de prediking van het (volledige) evangelie. (zie 1 Kor. 15:1-5)
4. Het begin van het offer van vergeving in de naam van Jezus. (Hand. 2:38)
5. Het begin van het nieuwe verbond. (Jer. 31:34, Hebr. 9:15-22)
6. Het begin van het bijeenkomen van de kerk. (waarbij de volgorde van Matt. 28:19 ook wordt aangehouden in Hand. 2:41-44). De betekening van de woorden discipelen en gemeente zijn identiek. (Hand.11:26, vergelijk ook Hand. 6:1,7 en 9:31).
7. Het begin van gemeenschappelijke aanbidding en leven. (Hand. 2:42,44,46). Jezus en zijn volgelingen hadden op kleine schaal ook al een gemeenschappelijk leven en bezit (Luk. 8:3, Joh. 13:29).

Ferguson (p.60-63) noemt vier voorwaarden vooraf voor de NT kerk: dood van Jezus, opstanding van Jezus, uitstorting Heilige Geest, grote opdracht.
Jezus is het fundament van de kerk (1 Kor. 3:11), Jezus zelf bouwt zijn gemeente (Matt. 16:18) en Jezus is zelf de hoeksteen (Efe. 2:20). De dood en opstanding waren noodzakelijk dat Jezus het hoofd van de gemeente kon zijn (Efe. 1:20-22, Hand. 2:36).

De kerk zoals we die nu kennen kunnen we dan met recht de kerk van (in) Jezus Christus noemen. (1 Kor. 1:2, Efe. 1:2, Fil. 1:1, Kol. 1:1)

Ferguson (p.61) zegt: “De opstanding van Jezus is zowel de feitelijke als de theologische reden voor het begin van de kerk.”

2. In het OT. “De kerk in de wildernis.” De kerk is er altijd geweest. (vd Beek, p.86-87, Ferguson, p.56, 73-81)

Anderen zeggen dat de Kerk er altijd al is geweest, ook in het Oude Testament. Het beeld van Israël als volk van God (Deut. 29:12-13) is daarvoor een duidelijke aanwijzing. Naar mate de tijd van de kerk uitgestrekter werd, werd ook het besef van eenheid van het volk van God door de eeuwen heen groter. Dat was niet alleen de eenheid vanaf de eerste Pinksterdag, maar ook de tijd ervoor. Abraham wordt immers de vader van alle gelovige genoemd (Rom. 4:16, Gal. 3:7). Augustinus laat de kerk beginnen bij Abel omdat hij de eerste gelovige was die de marteldood stierf (Matt.23:35, Hand. 7:52) en ook de lijn van geloofshelden begint bij Abel (Hebr. 11:4-40). Bram van de Beek (p.87) zegt “Alle gelovigen van het Oude en Nieuwe Verbond vormen de ene wolk van getuigen die ons aanmoedigen om vol te houden in de aardse strijd. (Hebr. 12:1-3). Calvijn gaat nog een stap verder en laat de kerk bij Adam beginnen. Adam is de eerste mens en ook de eerste mens die genade ontvangt. Aan Adam is ook de belofte gegeven dat de kop van de slang vermorzeld zou worden (Gen. 3:15). Daarom zien we Adam ook terug in het geslachtsregister van Lucas, van Jezus de Zoon van God tot Adam de zoon van God (Luc. 3:38).

We zien in ieder geval een sterke continuïteit (en parallellen) tussen het handelen van God in het Oude Testament en zijn handelen in het Nieuwe Testament.

Relatie met Israël (vd Beek, p.14-15)
De nieuwtestamentische auteurs ontwikkelen hun gedachtegoed vanuit het verstaan van Israël. Israël is het volk van God, een heilig volk dat zijn eigendom is. (Ex. 19:5). Dit volk is nu de kerk, mensen uit de heidenen in Israël opgenomen, terwijl mensen die in Israël geboren waren zijn buitengesloten door hun ongeloof. (Hebr. 3:19, Rom. 11:20). Dat wil niet zeggen dat de kerk een nieuw Israël is. Het is veelal zo dat het wezen van Israël als heilig volk van God pas in de kerk door het geloof in Christus tot zijn recht komt. (1 Petr. 2:9)

Ps. 74:2 “Gedenk uw gemeente, die Gij van ouds hebt verworven, die Gij verlost hebt als stam van uw erfdeel.”

Bibliografie:
 Barnard, dr. M. (red.), De weg van de liturgie, Meinema 1998
 Beek, dr. A. van de, Lichaam en Geest van Christus, Meinema 2012
 Beek, dr. A. van de, Gemeente van Christus, schetsen voor de praktijk, Meinema 2013
 Berkhof, dr. H., Christelijk geloof, Callenbach, 1985 (5e druk) (p.335-413)
 Brink, dr. G. van den & dr. C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Boekencentrum 2012 (p.517-578)
 Duffield, Guy P. & Van Cleave, Nathaniel M. Woord en Geest Hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging, Kok Kampen 1996 (p.445-492)
 Erwich, René, Veelkleurig verlangen, Wegen van missionair gemeente-zijn, Boekencentrum 2008
 Fee, Gordon, De Heilige Geest in de Gemeente, Novapres 1996
 Ferguson, Everett, The Church of Christ, Wm. B. Eerdmans Publishing 1996
 Gibson, Alan F. (editor), The Church and its Unity, Inter-Varsity Press 1992
 Ouweneel, dr. Willem J., De Kerk van God I, Medema 2010
 Ouweneel, dr. Willem J., De Kerk van God II, Medema 2011
 Poll, Evert W. van de, Samen in de naam van Jezus, Boekencentrum 2009
 Derek Prince, Gods Kerk herontdekt, DPN Nederland 2007
 Versteeg, dr. J.P., Kijk op de kerk, Kok 1990
 Volf, Miroslov, After Our Likeness, Wm. B. Eerdmans Publishing 1998
 Watson, David, I Believe in the Church, Hodder and Stoughton, 1987

Tijdschriften:
 Soteria

NT Wright, Verrast door hoop Hoofdstuk 11 (samenvatting)Vagevuur, paradijs en hel.

1. Inleiding
Tot aan de zestiende eeuw dacht de meerderheid van de christelijke, westerse kerk dat de kerk uit drie delen bestond. Allereerst de triomferende kerk, die bestond uit de heiligen die al in de aanwezigheid van God waren gearriveerd. Deze heiligen hadden ook hun eigen feestdagen, Allerheiligen. Daar tegenover stond de strijdende kerk, de gemeenschap van gelovigen in dit huidige leven. Als laatste was daar de wachtende kerk, de gelovigen die wachten in het vagevuur, een ingewikkeld onderwerp.

2. Het vagevuur
Het vagevuur is een typisch Rooms Katholiek leerstuk. De ooster-orthodoxe kerk kent het niet en de kerken van de reformatie hebben het om Bijbelse en theologische gronden afgewezen. De belangrijkste uitspraken over het vagevuur komen van Thomas van Aquino en Dante in de dertiende en veertiende eeuw. In die periode is heel veel tijd en energie gestoken om dit leerstuk te ontwikkelen. In de kern komt het er op neer dat de meeste christenen tot aan hun dood in zekere mate zondig bleven en daarom zowel straf als zuivering nodig hadden. Door de gebeden en missen van de strijdende kerk, maar vooral door aflaten, waartegen Luther zich zo verzette, kon de periode in het vagevuur aanzienlijk verkort worden. De laatste jaren hebben de RK theologen Karl Rahner en kardinaal Ratzinger (de vorige paus Benedictus XVI) geprobeerd om dit leerstuk te moderniseren of af te zwakken. Aan de andere kant signaleert Wright met name in de Anglicaanse kerk, maar ook door de invloed van het universalisme, een trend die inhoudt dat we eigenlijk nog niet klaar zijn voor de eeuwigheid. Na onze dood zullen we nog een ‘reis’ moeten maken die ons uiteindelijk bij God brengt. Zo kom je uit op een soort vagevuur voor iedereen. Het is niet erg plezierig, maar ook geen straf.

Wright plaatst hier vier kanttekeningen bij voor ons om ons goed te realiseren.

Ten eerste ligt de opstanding nog in de toekomst. Dit wordt door alle christelijke kerken geleerd. Het gebruik van het woord ‘hemel’ voor onze uiteindelijke bestemming is eigenlijk misleidend. Onze uiteindelijke bestemming is om opgewekt te worden met een nieuw, verheerlijkt lichaam naar de gelijkenis van Jezus Christus. De opstanding is niet hetzelfde als ‘het leven na de dood’, het is het leven na het ‘leven na de dood’.

Ten tweede geeft het Nieuwe Testament niet aan dat er onderscheid is tussen de gelovigen die wachten op de definitieve opstanding. Alle christenen worden ‘heiligen’ genoemd. Het enige onderscheid waar we van lezen is in 1 Kor. 3 waar er christelijke werkers zijn die met goud, zilver en edelstenen hebben gebouwd, tegenover degenen die dit deden met hout, hooi en stro. Maar beide groepen zijn gered en wachten op dezelfde bestemming. Ook lezen we dat de eersten die de laatsten zullen zijn, maar niets over een onderscheid in de toestand waarin gelovigen zullen verkeren na hun dood. Kortom, alle gelovigen, levend en dood, worden ‘heiligen’ genoemd en alle gestorven gelovigen worden als zodanig gezien en behandeld.

Ten derde gelooft Wright daarom niet in het vagevuur als een plek, een tijd of een toestand. Het is zo wie zo een westerse uitvinding van latere datum, zonder enige ondersteuning vanuit de Bijbel. Zelfs Rooms Katholieke theologen trekken het tegenwoordig in twijfel. De dood zelf vernietigt alles wat zondig is, dat is geen magie, maar gezonde theologie. Daarna valt er niets meer te zuiveren. Ook is er geen straf meer voor een christen volgens Rom. 8:1 en 8:38-39. Zo komt Wright tot de conclusie dat Paulus bedoelt dat het huidige leven als een soort vagevuur functioneert. De mythe van het vagevuur ziet hij als een allegorie, een projectie van het heden op de toekomst. Daarom spreekt het vagevuur zo tot de verbeelding.

3. Het paradijs
Het vierde punt is dat alle overleden christenen in dezelfde toestand verkeren, die van een rustgevende vorm van geluk. Dit zou je als een soort ‘slaap’ kunnen omschrijven, maar niet als een vorm van onbewustheid. Zoals eerder gezegd is dit niet de definitieve toestand van een christen. Wright beschrijft deze periode als een toestand waarin de gestorvenen stevig worden vastgehouden in de bewuste liefde van God en de bewuste aanwezigheid van Jezus Christus. Je zou dit ‘hemel’ kunnen noemen, maar het Nieuwe Testament gebruikt het woord ‘hemel’ op een andere manier. Omdat zowel de overleden heiligen als wijzelf in Christus zijn, delen wij met hen in de ‘gemeenschap der heiligen’. Volgens Wright kunnen we dan ook voor hen en met hen bidden. Niet zoals in de Middeleeuwen gebeurde om hen zo snel mogelijk het vagevuur uit te bidden, maar uit liefde, om hen in liefde voor God te brengen. De Bijbel zegt nergens dat de overledenen ook voor ons bidden. Ook moeten wij niet tot hen bidden. Wright noemt het aanroepen van de heiligen in feite een stap terug naar het heidendom waar de reformatoren zo tegen waarschuwden. Het hele idee van heiligenverering is begonnen bij het respect wat men voor de gestorven martelaren had in de vroege kerk. Later werd iedereen vereerd die zich op een of andere manier had onderscheiden als christen. Wright noemt dit één grote oefening in zinloosheid. Dus voor Wright bestaat de ‘triomferende kerk’ bestaande uit alleen de heiligen in de hemel niet. De wachtende en strijdende wel. Zijn oproep aan alle kerken is dan ook om regelmatig bezig te zijn met de vraag naar wat er onmiddellijk na het sterven gebeurt, alsook naar onze uiteindelijke bestemming. Vooral moeten we de centrale hoop van de uiteindelijke opstanding begrijpen.

4. De hoop voorbij, het medelijden voorbij
In wezen gaat het hier om de vraag ‘en hoe zit het nu met de hel?’. Over die vraag kan wel een heel boek worden geschreven. Een deel van het probleem is ook hier dat het woord ‘hel’ meteen weer een bepaald beeld oproept dat sterker is bepaald door de Middeleeuwen dan door de Bijbel of de vroege kerk. Veel mensen zijn opgegroeid met het idee dat de hel een letterlijke plek onder de grond is die gevuld is met wormen en vuur, of als een soort martelkamer. Veel mensen besluiten later dat ze niet meer in een dergelijk kinderachtig beeld kunnen geloven en worden atheïst of universalist. Wright denkt dat er betere redenen zijn om atheïst te worden dan te geloven in een platte karikatuur. Beter is te kijken wat de Bijbel zegt over het woord ‘hel’. In het Nieuwe Testament is het meest gebruikte woord dat met ‘hel’ wordt vertaald gehenna. Gehenna was niet zomaar een idee, maar een bestaande plek, een vuilnisbelt aan de zuidwest kant van Jeruzalem. Deze plek is daar nog steeds onder de naam van het dal van Ge Hinnom. Jezus verwees naar de smeulende vuren van die plek als hij het over Gehenna had. (Matt. 23:33). (Zie appendix 1 van het boekje van Henk Rothuizen over alle ‘hel’ teksten in het Nieuwe Testament. Hier zie je dat het wel degelijk uitmaakt welke Bijbelvertaling je gebruikt!) Veel van deze teksten lijken er mee te maken te hebben dat je gedrag dat je nu op aarde mee bezig houdt, er wel degelijk toe doet. Wel zijn er twee gelijkenissen in de Bijbel die wel lijken te suggereren dat er in het hiernamaals een brandend vuur als straft wacht. (Luc. 12:35-59; 16:19-31). Ten eerste zijn het gelijkenissen en geen feitelijke omschrijvingen van het leven na de dood. En ten tweede gaat de gedeelten over hoe je moet leven en gerechtigheid en genade moet tonen aan je medemens. Jezus heeft gewoon niet erg veel over het ‘leven na de dood’ gesproken. Zijn primaire taak was ook om te verkondigen dat het koninkrijk van God ‘op aarde zoals in de hemel’ zou komen. Jezus leerde geen nieuwe dingen over het hiernamaals en bleef dicht bij de Joodse gedachten hierover.

Wel vertelt Jezus een verrassend verhaal over het scheiden van de schapen en de bokken in Matt. 25:31-46. Ook hier gaat alles weer over gedrag in dit leven en kan de laatste zin een aanwijzing zijn van het belang daarvan.

De hel en/of het laatste oordeel zijn ook in de brieven niet prominent aanwezig (behalve Rom. 2:1-16), in Handelingen wordt het helemaal niet genoemd, blijft over de levendige beelden uit het boek Openbaring, maar die zijn weer het moeilijkst met zekerheid uit te leggen. Dit moet ons waarschuwen zowel tegen degenen die zeker weten wie naar de hel gaan (bijvoorbeeld door bepaald gedrag), alsook degenen die zeker weten dat een dergelijke plek niet bestaat, of als hij bestaat, leeg is. Deze laatste vorm van universalisme was lange tijd populair onder vrijzinnige theologen. Maar de laatste 20 jaar is het theologische vrijzinnigheid op z’n retour volgens Wright omdat het teveel stoelde op het menselijke optimisme van de Westerse samenleving. Door de toename van oorlogen en andere grote wereldproblemen is de noodzaak en besef van een oordeel weer toegenomen. Het kwaad moet veroordeeld worden, dit is het enige alternatief voor chaos.

God is vast van plan om alles in de wereld uiteindelijk recht te zetten. Dit leerstuk wordt, net als dat van de opstanding zelf, stevig op zijn plaats gehouden door het geloof in God de schepper aan de ene, en het geloof in Gods goedheid aan de andere kant. En dat rechtzetten van God houdt onvermijdelijk in het elimineren van alles wat Gods goede en heerlijke schepping vervormt, en in het bijzonder van alles wat de mensen als zijn beelddragers schendt en bekladt. Dit kunnen grote maatschappelijke problemen zijn zoals volkenmoord, kinderprostitutie, rassendiscriminatie. Ook het Nieuwe Testament kent dergelijke lijstjes, die functioneert als een stoplicht dat waarschuwt voor een weg die recht op een afgrond zonder hek afgaat. Volgens Wright komt dit voort uit drie dingen. Ten eerste de oerzonde van afgoderij om dingen te aanbidden dat niet God is. Ten tweede vertonen ze allemaal de kenmerken van de zonde die daarvan het gevolg is, namelijk het falen om Gods beeld volledig te weerspiegelen. De Bijbel gebruikt hiervoor het woord hamartia (zonde). Zonde is dus meer dan het breken van willekeurige regels. Ten derde, als deze twee genoemde zaken zich voorzetten in mensen of groepen mensen, zij meewerken aan hun eigen ontmenselijking.

Hiermee hebben we volgens Wright de kern te pakken van de manier waarop we de leer van het laatste oordeel in onze tijd kunnen herformuleren. Als Wright zowel de krant als het Nieuwe Testament leest, kan hij zich niet voorstellen dat er geen uiteindelijke veroordeling zal zijn. Hoe dat in de praktijk zal werken, daar lopen de meningen uiteen. Er zijn doorgaans drie opvattingen.

Ten eerste het traditionele standpunt dat iedereen die Gods verlossing afwijst, in een eeuwige marteling terecht komt, waar ze zich ook van bewust zijn. Dit is een eindeloze straf.

Het tweede standpunt is het universalisme (vaak alverzoening genoemd), die zegt dat God aan iedereen genade zal betonen of dat God de mensen in het hiernamaals nog een keer de kans geeft om voor hem te kiezen berouw te tonen, totdat iedereen uiteindelijk aan het aanbod van Gods liefde heeft toegegeven.

Een derde variant is een tussenweg van ‘voorwaardelijke onsterfelijkheid’, namelijk wie Gods liefde afwijst in dit leven, houdt gewoon op te bestaan. Dit zou kunnen omdat onsterfelijkheid geen ingeboren eigenschap van mensen is. Dit wordt ook wel ‘annihilationisme’ genoemd. Hierbij worden mensen niet actief vernietigd, maar dit gebeurd omdat ze weigeren het geschenk aan te nemen dat hun wordt voorgehouden en dat zij structureel afwijzen.

Wright komt nog met een vierde visie die hij zelf aanhangt en de goede punten van bovenstaande probeert te combineren. Henk Rothuizen noemt dit ‘verdamping’(p.33) in zijn boek Exit. Het komt er op neer dat de mensen door zijn verkeerde keuzes over een langere termijn een wezen wordt dat ooit mens was, maar dat niet langer is. Hij is een schepsel geworden dat Gods beeld in geen enkel opzicht meer weerspiegelt.

Uiteindelijk bekent Wright dat we het hier hebben over een van de meest duistere theologische thema’s. Zijn conclusie is dat deze wereld de goede schepping is van de ware God en dat Hij uiteindelijk het oordeel zal vellen waarover de hele schepping zich zal verheugen.

5. Conclusie: menselijke doelen en de nieuwe schepping
Er komt uiteindelijk een eindoordeel voor ‘diegenen die zich laten leiden door onrecht.’ (Rom. 2:8). Ook spreekt Openbaring 21 en 22 van een categorie mensen die ‘buiten’ zullen zijn. Maar ook lezen we in Openb. 22:2 over een boom, waarvan de bladeren genezing aan de volken zullen brengen. Dit betekent dat God altijd een God van verassingen zal zijn. De uiteindelijke vraag draait dan ook niet om de ‘hemel en de hel’. Ook niet de vraag wat er met mij gebeurd als ik sterf.

De belangrijke, centrale, allesbepalende vraag is naar Gods doel en plan om de hele wereld, de hele kosmos te redden en te herscheppen. Onze eigen, individuele bestemming is ter sprake gekomen, omdat het deel uitmaakt van een veel groter verhaal en dat we binnen dat verhaal een wezenlijke rol kunnen spelen.

Op welke manier zal Gods nieuwe schepping tot stand komen? Op welke manier kunnen wij mensen een bijdrage leveren aan de vernieuwing van de schepping? Dus niet hoe komen wij in de hemel, maar hoe kan God door middel van de mensen zijn schepping gaan verlossen en vernieuwen en hoe hij als onderdeel daarvan ook mensen zelf gaat redden. De uitdaging is om het Nieuwe Testament in het licht van deze vragen te lezen en dan komen we bij de vraag naar de missie van de kerk. Daarover gaan de laatste vier hoofdstukken van het boek van Wright.

 

Verrast door hoop

https://www.bol.com/nl/p/verrast-door-hoop/1001004006923117/

 

 

 

 

Vier manieren om Openbaring uit te leggen.

Regarding an approach to interpreting the book of Revelation, Luther said, “Everyone thinks of the book whatever his spirit imparts!” There are four basic schools of interpretation, however.

1) Preterist/Contemporary-Historical—this school states that the author was writing about the first century Church’s clash with Rome (the beast of Revelation 13). According to the preterists, John has “nothing more in mind than [the first century  Church’s] situation.”  “The Church was threatened with practical extinction in the face of impending persecution, and John wrote to confirm the faith of believers that even though terrible persecution was at the door, God would intervene, Christ would return, Rome would be destroyed and the kingdom of God shortly established.” Faced with the reality that this did not happen, the preterists hold that such is unimportant. The book served its purpose in strengthening and encouraging the first-century Church.

2) Historistic/Continuous-Historical—this school states that the book is an inspired forecast of the whole of human and Church history, especially the history of Western Europe and its Church from the first century to the Second Coming. Quite often in this school of thought, the Roman papacy is the beast and the Roman Catholic Church the false prophet (Revelation 12). One of the many problems with this school is that it claims Revelation is about the European Church, when it was in fact originally written to Asian churches.

3) Idealist/Symbolic—this school states that Revelation has relatively few references to specific events or persons in history. Rather, it is a symbolic portrayal of the spiritual conflict which exists between the kingdom of God and the kingdom of Satan. The beast, for example, is satanic evil rather than any specific person—past, present or future. “It simply sets out principles on which God acts throughout human history.” Whereas apocalyptic literature was a symbolic genre, the difficulty with this school is it fails to remember that apocalyptic also concerned itself with specific end times historical events.

4) Futurist—this school sees Revelation as largely a prophetic forecast of history, especially as it concerns the Church in this Age. The seven letters were addressed to seven historical churches; the seals represent the forces of history (however long they may last), used by God to work out His plan of salvation. Beginning with either Revelation 8 or 16 (scholars vary), the events pertain exclusively to God’s final will for human history, the Millennium and the Age to Come.

voetnoot: Dispensationalism is a sub-unit of the futurist school, sometimes termed the extreme futurist view. Dispensationalism opts for a literal interpretation of all biblical prophecy (except in cases where symbolism is obvious). “The seven letters are seen as seven successive ages of Church history symbolically portrayed. The character of the seven churches depicts the chief characteristics of the seven periods of Church history, the last of which will be a period of decline and apostasy (Laodicea). The rapture of John (4:1) symbolizes the rapture of the Church at the end of the age. Chapters 6-18 depict the period of the Great Tribulation– the last short but terrible period of Church history when the Antichrist will all but destroy God’s people. In the dispensational view, God’s people are Israel, restored to Jerusalem, protected by a divine sealing (7:1-8), with a rebuilt temple (11:1-3), who suffer the wrath of Antichrist. The Church is no longer on earth, for it has been caught up to be with the Lord in the air” (George Ladd, op. cit., pg. 12). In dispensationalism, the Millennium is the time when a Jewish theocracy, with the Temple, the sacrificial system, and the Law of Moses, is restored and the Old Testament prophecies concerning Israel’s future political triumph over the Gentiles are literally and physically fulfilled.


Bron: Gary Matsdorf, Revelation Commentary

http://www.amazon.com/What-must-soon-take-place/dp/0962812757

 

NT Wright, Verrast door hoop Hoofdstuk 10 (samenvatting) De verlossing van het lichaam

1. Inleiding
Zowel in de kerk als onder niet-christenen heerst verwarring over de bestemming van de gestorvenen, maar ook wat christenen op dit punt moeten geloven. Volgens Wright is dat niet nodig omdat de Bijbel absoluut helder is over dit onderwerp. Paulus spreekt in Rom. 8:23 over de ‘verlossing van ons sterfelijk bestaan.’ Wright zegt dan ook dat er geen enkele twijfel kan bestaan wat Paulus hier bedoelde: Gods kinderen hebben de belofte van een nieuw soort fysiek bestaan, dat de vervulling en verlossing van ons huidige lichaam is. In de vroeg christelijke kerk werd hier ook over geschreven, in latere eeuwen werd dit steeds minder en werd het verzwegen of verdraaid.

De stelling van Wright is dat het traditionele beeld van mensen die na de dood op reis gaan of naar de hemel of naar de hel, een ernstige vervorming en afzwakking van de christelijke hoop is. De lichamelijke opstanding is niet een losstaand stukje van die hoop. Het is juist het element dat Gods uiteindelijke plan vorm en betekenis geeft. We kunnen het dus niet weglaten of naar de marge verschuiven. We moeten beginnen om te kijken wat de Bijbel over de opstanding zegt en pas van daaruit over de hemel praten. Daarna kunnen we ook praten over hoe we nu in deze wereld leven (zie les 12)

2. De opstanding: het leven na ‘het leven na de dood’
Zowel als in het Griek-Romeinse heidendom als in het Jodendom bestonden verschillende ideeën over het leven na de dood, maar in de vroege kerk was de mening hierover gelijkgestemd en in lijn met de opvatting van Paulus. Bijvoorbeeld in Fil. 3:20-21, waar staat dat Jezus uit de hemel zal komen om ons huidige armzalige lichaam te veranderen in een heerlijk lichaam als het zijne. Dit vormt in een notendom hoe Paulus over dit onderwerp denkt. De opgestane Jezus is zowel model voor het toekomstige lichaam van de christen, als het middel waardoor dit tot stand komt. Ook Kol. 3:1-4 spreekt zich in vergelijkbare termen uit. ”En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met hem, in luister verschijnen.” Nog duidelijker is Rom. 8:9-11 “Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal hij die Christus heeft opgewekt, ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft.” God geeft het leven niet aan een ziel zonder lichaam, maar aan een sterfelijk lichaam. Ook Johannes laat zich in vergelijkbare termen uit. In 1 John. 3:1-3 lezen we “maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan we zien we hem zoals hij is.” Het opstandingslichaam van Christus in al zijn heerlijkheid en macht, is nog nauwelijks voor te stellen voor ons en dat zal model staan voor ons. Ook spreekt Jezus zich duidelijk uit over het moment van de opstanding. Joh. 5:25-29 “er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen en uit hun graf zullen komen: wie het goede heeft gedaan staat op om te leven, wie het slechte heeft gedaan staat op om veroordeeld te worden.” Ook in het OT vinden we vergelijkbare teksten zoals in Dan. 12:2, Jes. 26:19 en Eze. 37.

In Joh. 14:2 lezen we dat Jezus zegt dat er in het huis van zijn Vader vele woningen zijn. Velen zien dat als onze eindbestemming, maar Wright geeft aan dat het Griekse woord voor kamers (monai), juist duidt op een tijdelijke halte op de reis die je uiteindelijk heel ergens anders brengt. Zo moeten we ook de woorden van Jezus aan het kruis interpreteren als hij zegt “Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.” (Luk. 23:43). Paradijs betekent op vele plaatsen niet een uiteindelijke bestemming, maar een zalige tuin waar de doden mogen wachten op de dageraad van de nieuwe dag. Uiteraard volgt er nog een vervolmaking in de toekomst, waar de uiteindelijke opstanding een deel van zal zijn. Voor Lucas was het duidelijk dat het paradijs een tussenfase was, die dezelfde dag nog werkelijkheid zou worden, dus nog voor de opstanding (van Jezus) plaats zou vinden. Met Jezus komt de hoop voor de toekomst vandaag al naar ons toe.

Opstanding betekent niet ‘leven na de dood’. Het was een uitdrukking voor het nieuwe lichamelijke leven na het bestaan dat je onmiddellijk na je dood kent. Met andere woorden, het is het leven na het ‘leven na de dood’.

Wat moeten we met teksten zoals in 1 Petr. 1:4-5 waar staat dat ‘in de hemel een onvergankelijke, ongerepte erfenis wacht, de redding die aan het eind van de tijd zeker geopenbaard zal worden.’ Te snel denken dat dat we naar de hemel gaan om onze redding in ontvangst te nemen of daar te blijven. Daarmee gaan we ook andere Bijbelteksten verkeerd lezen die over de hemel gaan. Volgens Wright is het woord ‘hemel’ gewoon een eerbiedige manier om iets over God te zeggen, zodat een ‘schat in de hemel’ betekent ‘een schat in Gods nabijheid’ zoals ook uit andere teksten blijkt (Mat. 6:20, 19:21, Luk. 12:21, 1 Tim. 6:19). Daarmee betekent ‘hemel’ de plek waar God zijn bedoeling voor de toekomst bewaart. Maar niet de plek waar wij naar toe moeten gaan om van te genieten. Het is de plek waar het veilig opgeborgen blijft tot de dag waarop ze op aarde werkelijkheid worden. Gods toekomstige erfenis, de onvergankelijke nieuwe wereld en onze nieuwe lichamen worden voor ons bewaard, totdat ze in deze wereld, d.w.z. de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, de vernieuwde wereld, in gebruik genomen kunnen worden.

Ter aanvulling, het woord ziel (psyche) wordt in de Bijbel nooit gebruikt voor dat ‘stukje dat gered wordt’. Het slaat meer op ons als persoon of persoonlijkheid. We zijn al gered en op een dag zullen we die redding in complete fysieke vorm ontvangen.

3. De opstanding in Korinte
Voor de studie naar de opstanding kun je niet om Paulus heen. Die worden voornamelijk beschreven in 1 Kor. 15 en 2 Kor. 4 en 5. Wright geeft aan dat deze gedeelten lastig zijn en dat de meningen erover verdeeld zijn. In andere boeken van hem gaat hij er dieper op in en behandeld hier de hoofdlijnen. In 2 Kor. 4:7 zegt Paulus “Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat”. Uit hoofdstuk 4 zou je de conclusie kunnen trekken dat Paulus neerkijkt op het lichamelijke en dat het alleen om het geestelijke gaat. Zoals in 4:16 “Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd.” Toch heeft Paulus het in hoofdstuk 5 over een ‘tent’ die voor ons klaar ligt, een nieuwe woning, een nieuw lichaam die in Gods sfeer (hemel) voor ons klaarligt en over ons huidige lichaam wordt aangetrokken (5:4).

De fout die we maken in ons Westerse denken is dat het stoffelijke tijdelijk is en (alleen) het niet-stoffelijke eeuwig. Dat is bij Paulus niet het geval. Zijn denken gaat uit van de Joodse theologie van de schepping, en bouwt daarop een theologie van een nieuwe schepping. “Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuw schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.” (2 Kor. 5:17). Er komt een nieuw soort lichamelijkheid, die echter, vaster en lichamelijker is dan ons huidige lichaam. Ons huidige leven is volgens Paulus maar een schaduw van onze toekomstige ik, de persoon die we zullen zijn wanneer God het lichaam dat in de hemel voor ons klaar ligt, tevoorschijn haalt en over ons huidige lichaam heen trekt. Paulus maakt duidelijk dat we dit nog niet bereikt hebben. Voor het laatste oordeel voor de troon voor God (5:10) hebben we ook een lichaam nodig. Zie ook andere teksten zoals Daniël 12:2. Wellicht geldt dit zowel voor gelovigen als ongelovigen.

Het hart van de Nieuwtestamentische visie op de opstanding vinden we in 1 Kor. 15. De hoop van de opstanding vinden we door de hele brief heen. In de gemeente in Korinte waren er gelovigen die de opstanding ontkenden. (15:12) Vandaar dat Paulus begint met de opstanding van Christus als eersteling, en vervolgens dat dit ook voor de gelovigen geldt (15:22). Hoofdstuk 15 van de eerste Korintebrief vormt volgens Wright één grote echo van Genesis 1-3. Het bevat een theologie van een nieuw schepping, geen achterlaten van de oude schepping. Het hart van dit hoofdstuk is het uiteenzetten van de twee verschillende soorten lichamen, het huidige en het toekomstige. Door een verkeerde vertaling in de NBG (en wellicht ook andere vertalingen) lijkt het alsof Paulus het ‘aardse lichaam’ stelt tegenover het ‘geestelijke lichaam’. (15:44). Dit is geen correcte vertaling van de Griekse woorden. Het gaat namelijk om de tegenstelling tussen het huidige vergankelijke lichaam wat gaat sterven en het toekomstige onvergankelijke lichaam wat niet kan sterven. Dus niet het stoffelijke tegenover het niet-stoffelijke. De woorden die Paulus gebruikt zijn ‘psychikos’ en ‘pneumatos’. Dit zegt niets over het materiaal waar de dingen van gemaakt zijn, maar van de kracht of energie die de dingen in beweging zet. Ons huidige lichaam wordt geanimeerd door de psyche (de menselijke levenskracht), de uiteindelijk machteloos is tegen ziekte en de dood. In het toekomstige leven is Gods pneuma de motor, Gods levensadem, de krachtgevende energie van Gods nieuwe schepping. Vandaar dat ‘wat uit vlees en bloed bestaat geen deel kan hebben aan Gods koninkrijk’(15:50). Vlees en bloed betekent hier niet stoffelijk, maar tijdelijk. Daarmee gaat de echte tegenstelling tussen vergankelijke lichamelijkheid en onvergankelijke lichamelijkheid. Vandaar dat Paulus zegt in vers 15:58 ‘dat onze inspanningen nooit tevergeefs zijn.

Wright zegt: Het geloof in de opstanding van het lichaam omvat het geloof dat wat hier en nu in de kracht van de Geest in het lichaam gedaan wordt, in de uiteindelijke toekomst bevestigd zal worden op een manier waarnaar we nu alleen nog maar kunnen raden.

4. De opstanding: de latere debatten
Tot plusminus 200 n. Chr. hielden alle kerkvaders zich nog vast aan het leerstuk van de lichamelijke opstanding. Bovendien koppelden zij dit aan het leerstuk van de schepping en aan de leer van Gods rechtvaardigheid en uiteindelijke oordeel. Volgens Wright is de opstanding (net als in het Jodendom) het punt waar schepping en oordeel elkaar snijden. Vanaf Tertullianus (plusminus 200 n. Chr.) komen er allerlei vragen op naar de consequenties van de opstanding van het lichaam. Bijvoorbeeld de vraag wat er gebeurd als een kannibaal een christen opeet. Wie zal dan bij de opstanding welke stukken hebben? Ook Origines, Thomas van Aquina proberen deze vragen te beantwoorden. Omdat de mens qua lichaam steeds veranderd, zijn we fysiek steeds anders. Ondanks dat is er een zekere continuïteit. We zijn stof en tot stof zullen we terugkeren. Maar God kan met stof nieuwe dingen doen. Een klein deel van de theologen in de Middeleeuwen hield vast aan de leer van de lichamelijke opstanding. Een groot deel ging echter een andere kant op, waarbij ook het vagevuur als een soort tussenfase werd geïntroduceerd.

5. Herbezinning op de opstanding voor vandaag: wie, waar, wat, waarom, wanneer en hoe
Wie worden er uit de dood opgewekt?
Iedereen volgens Johannes en wellicht ook Paulus. Bij Paulus is er in ieder geval sprake van een speciale betekenis van de opstanding voor christenen.
Waar zal de opstanding plaatsvinden?
Op de nieuwe aarde, die dan al bij de nieuwe hemel is gevoegd. Dat is voor Wright de kern van alles wat hij in dit hoofdstuk over dit onderwerp wil zeggen. Ook zal er in deze nieuwe wereld geen overbevolking zijn.

Wat zal het opstandingslichaam precies zijn?
Een van de weinige moderne schrijvers die geprobeerd hebben dit te beschrijven is C.S. Lewis, vooral in zijn boek De grote scheiding. Daar schildert hij ons lichaam voor die steviger, echter en substantiëler is dan ons huidige lichaam. Dat is de opdracht en uitnodiging zoals we ook in 2 Kor. 4:17 kunnen lezen. “De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft.” In de oudheid gingen ook veel vragen over de kenmerken die zo’n lichaam zou hebben. Zal onze neus nog dezelfde vorm hebben? Deze vragen zijn niet te beantwoorden. Wel kunnen we concluderen uit het voorbeeld van het Jezus’ opstanding dat zijn wonden nog steeds zichtbaar waren. Niet als bron van pijn en dood, maar als tekenen van zijn overwinning. Wat we in ieder geval weten, is dat het lichaam onsterfelijk zal zijn. We zijn de dood voorbij, zowel in tijdelijke zin, als in ontologische zin, d.w.z. dat het niet meer is onderworpen aan ziekte, verval en de dood. Vandaar de verwarring bij de discipelen toen ze het eerste en enige stukje van onvergankelijke lichamelijkheid zagen. Het woord ‘onsterfelijkheid’ kan ons soms op het verkeerde been zetten, als we dit ten onrechte interpreteren als ‘lichaamloze onsterfelijkheid’.  Paulus heeft het bij een opstandingslichaam altijd over een lichaam, maar dan een die niet meer aan de sterfelijkheid is onderworpen. We hebben het dus zeker niet over een ‘onsterfelijke ziel’. Volgens het Nieuwe Testament bezit alleen God onsterfelijkheid. De onsterfelijkheid die God ons geeft, is een geschenk en niet een ingeschapen eigenschap.

Waarom zullen we een nieuw lichaam krijgen?
Volgens de eerste christenen zouden we met dit nieuwe lichaam, het doel hebben om verstandig over Gods wereld te heersen. Er zal werk te doen zijn en we zullen ervan genieten. De talenten en vaardigheden die we in dit leven hebben, kunnen we daarvoor goed gebruiken. Over dit aspect van het opstandingsleven is het minst nagedacht. (Rom. 5:17, 1 Kor. 6:2-3, 2 Tim. 2:12, Openb. 1:6, 5;10, 20:4, 22:5). Het Bijbelse beeld van Gods toekomst houdt de vernieuwing van de hele kosmos in. Dit ligt in lijn van het beeld van Gen 1 en 2 waar de tuin weer verzorgd moet worden en de dieren nieuwe namen moeten krijgen. Dit zijn de richtingwijzers naar een grotere werkelijkheid, waar de meeste christenen maar weinig aandacht aan besteden. Ons nieuwe lichaam zal een geschenk zijn van Gods genade en liefde. Maar ook spreekt het Nieuwe Testament dat Gods komende zegen een beloning zal zijn. Niet als vervanging van rechtvaardiging door geloof alleen, maar meer als een resultaat van je inspanningen, zoals je beter wordt in sport door te oefenen of zoals je aan een goed huwelijk werkt. De ‘beloning’ is op een organische manier aan de activiteit verbonden. Het is niet willekeurig, maar altijd veel overvloediger en rijker dan een directe beloning naar werken. Vandaar dat Paulus zegt in vers 15:58 ‘dat onze inspanningen nooit tevergeefs zijn.

Wanneer zal de opstanding plaatsvinden?
Veelal werd gedacht dat dit meteen na ons sterven plaats zal vinden. Wright heeft daar grote moeite mee. Paulus zegt dat Christus de eerste vrucht is, en dat ieder die bij Hem hoort ‘bij zijn komst’ opgewekt zal worden. Ook Openb. 6:9-11 zegt dat de gestorvenen wachten op het moment dat ze opgewekt zullen worden. Dit is een tussenperiode die we zowel in het Joodse als christelijke denken tegenkomen. Voor Wright is de nieuwe schepping op een wezenlijke manier een voortzetting van de huidige. We kunnen niet zeggen dat die al aangebroken is, net zomin dat het opstandingsleven van Jezus al vóór zijn kruisiging bestond en actief was. Het nieuwe is niet slechts de vervanging, maar de transformatie van het oude. En aangezien die transformatie nog niet heeft plaatsgevonden, kan de opstanding, het centrale element daarvan, nog niet hebben plaatsgevonden. De tijd vormde ook een onderdeel van de oorspronkelijke schepping die goed was. Eeuwigheid betekent dan ook niet dat er geen tijd zal zijn. Waarschijnlijk zal die ook getransformeerd worden op een manier zoals we nu nog niet kunnen bedenken. De oude akker van ruimte, tijd, materie en zintuigen moet gewied, omgespit en ingezaaid worden voor een nieuwe oogst.

Hoe zal dat gebeuren?
In wezen gaat het hier om een geweldige nieuwe scheppingsdaad. Paulus zegt dat God ons een nieuw lichaam zal geven, hoewel er waarschijnlijk ook sprake van een zekere continuïteit zal zijn, zoals we bij Jezus zagen. Bij de vraag van het hoe, werd in de vroegchristelijke kerk steeds het antwoord gegeven dat het door de Geest zal gebeuren. De Geest die boven het water en de chaos zweefde en zo rijkelijk in Jezus woonde, dat we hem nu als de Geest van Jezus kennen. Dit noemt de Bijbel noemt dit de eerste vrucht, de aanbetaling, als garantie van wat komen gaat. De oude belijdenis spreekt over de ‘Heilige Geest, die Here is en levend maakt.’

Verrast door hoop

https://www.bol.com/nl/p/verrast-door-hoop/1001004006923117/